ECLI:NL:RBDHA:2025:16538, Rechtbank Den Haag, 16-07-2025, NL24.38895 — RBDHA:2025:16538
Samenvatting
Op de Eritrese vreemdeling is artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag van toepassing. De minister brengt eiser in verband met mensensmokkel in Libië. De minister heeft deugdelijk onderbouwd dat eiser de bedoelde mensensmokkelaar is en eiser heeft dat niet weten te ontkrachten. De minister hoefde het vonnis in de Nederlandse strafrechtelijke procedure die tegen eiser is gestart in die zin dan ook niet af te wachten. De rechtbank is met de minister van oordeel dat artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie niet aan het opleggen van een terugkeerbesluit in de weg staan. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat de factoren die volgens het algemeen ambtsbericht relevant zijn voor de manier waarop Eritrese autoriteiten terugkerende Eritreeërs profileren (o.a. dessertie, illegale- en legale uitreis), op hem van toepassing zijn. De minister kan verder niet afzien van het opleggen van een terugkeerbesluit, omdat er zich geen uitzonderingen voordoen als bedoeld in artikel 6, tweede tot en met het vijfde lid, van de Terugkeerrichtlijn. De rechtbank ziet geen aanleiding om de beoordeling van de zaak aan te houden totdat de prejudiciële vragen van de Afdeling van 18 december 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:5258) zijn beantwoord. De detentie (voorarrest) van een vreemdeling wordt in de Terugkeerrichtlijn namelijk niet als uitzondering genoemd op de verplichting een terugkeerbesluit uit te vaardigen tegen een illegale derdelander. De minister hoeft in het bestreden besluit ook niet vermelden dat het terugkeerbesluit wordt opgeschort. Het arrest Changu is hier niet van toepassing. De vreemdeling is immers gedetineerd zodat hij gebruik kan maken van basisvoorzieningen en de kans dat hij bij een controle van welke aard dan ook moet aantonen dat hij een uitstel van verwijdering vanwege een feitelijke en juridische belemmering heeft, is uitgesloten. De rechtbank oordeelt dat het beroep ongegrond is.
Betrokken advocaten
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RBDHA:2026:1768, Rechtbank Den Haag, 30-01-2026, NL25.24392 en NL25.24393
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:643, Rechtbank Den Haag, 14-01-2026, NL25.31705
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RVS:2026:141, Raad van State, 14-01-2026, 202300124/1/V1
Raad van State · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RVS:2026:142, Raad van State, 14-01-2026, 202302916/1/V1
Raad van State · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Gegevens
Datum uitspraak
16 juli 2025
Instantie
Rechtbank Den HaagRechtsgebied
Bestuursrecht; VreemdelingenrechtZaaknummer
NL24.38895
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2025:16538