ECLI:NL:RBDHA:2025:17419, Rechtbank Den Haag, 08-09-2025, NL24.47678 — RBDHA:2025:17419
Samenvatting
Eiser is een Afghaanse asielzoeker. Verweerder heeft eisers asielmotieven geloofwaardig geacht, maar niet zwaarwegend genoeg bevonden. De rechtbank is van oordeel dat verweerder niet alle door eiser aangedragen relevante individuele omstandigheden in onderlinge samenhang heeft bezien. De rechtbank verwijst in dit kader naar de uitspraken van de Afdeling van 20 november 2024. Daarin is geoordeeld dat uit informatie uit openbare bronnen niet volgt dat Afghaanse vreemdelingen die in een westers land hebben verbleven, alleen al om die reden een reëel risico op ernstige schade lopen als zij vrijwillig terugkeren naar Afghanistan. Daarom is het aan een vreemdeling die stelt dat hij onder meer vanwege zijn verblijf in het Westen bij terugkeer naar Afghanistan problemen zal krijgen, om aannemelijk te maken waarom juist hij, gelet op het samenstel van zijn individuele omstandigheden, problemen zal krijgen en waaruit die bestaan. Verweerder moet bij zijn beoordeling of een vreemdeling dat aannemelijk heeft gemaakt alle relevante individuele factoren die een vreemdeling heeft aangedragen, in onderlinge samenhang bezien. Het verblijf in het Westen zou er, in combinatie met andere individuele factoren en afhankelijk van de aangeleverde informatie uit algemene bronnen over de problemen die kunnen ontstaan, toe kunnen leiden dat een vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat er een reëel risico op ernstige schade bestaat. Eiser heeft aangevoerd dat hij tot de Tadzjiekse bevolkingsgroep behoort en het sjiitische geloof aanhangt. Zijn familie heeft problemen gehad vanwege het sjiitische geloof. De Taliban beschouwt sjiieten als afvalligen. Eisers verklaringen sluiten aan bij hetgeen is vermeld over sjiieten in het AAB Afghanistan. Eiser heeft zelf twee oproepen gehad van de Taliban, die verweerder onvoldoende heeft betrokken. Eisers verklaringen sluiten daarnaast aan bij het asielrelaas van zijn moeder, die een verblijfsvergunning asiel heeft gekregen. Verweerder heeft onvoldoende in het besluit betrokken dat eiser bij terugkeer problemen verwacht vanwege zijn opvattingen over vrouwenrechten. Daarom is de rechtbank van oordeel dat verweerder zijn standpunt dat eiser zijn vrees voor vervolging of ernstige schade niet aannemelijk heeft gemaakt ondeugdelijk heeft gemotiveerd en dat het bestreden besluit niet zorgvuldig is voorbereid.
Betrokken advocaten
mr. S.S.H. Orsel
eiser
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RBDHA:2025:24850, Rechtbank Den Haag, 15-12-2025, NL25.29855 en NL25.29856
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2025:24868, Rechtbank Den Haag, 11-12-2025, NL25.51051
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2025:19764, Rechtbank Den Haag, 20-10-2025, NL25.15066
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2025:16093, Rechtbank Den Haag, 26-08-2025, NL24.48495
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Gegevens
Datum uitspraak
8 september 2025
Instantie
Rechtbank Den HaagRechtsgebied
Bestuursrecht; VreemdelingenrechtZaaknummer
NL24.47678
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2025:17419