ECLI:NL:RBDHA:2025:20205, Rechtbank Den Haag, 31-10-2025, NL25.7659 — RBDHA:2025:20205
Samenvatting
Asiel Iran gegrond. De rechtbank deelt het standpunt van eiseres dat de minister in het kader van zijn vergewisplicht navraag had moeten doen bij Bureau Documenten. De aangifte is van groot belang voor de onderbouwing van het asielrelaas van eiseres. De dagvaarding is afkomstig uit Iran, een land waar veel meer asielzoekers vandaan komen,5 en de gemachtigde van eiseres heeft bovendien onbetwist gesteld vaker vergelijkbare documenten uit Iran te hebben gezien. De rechtbank overweegt dat aan de overgelegde dagvaarding waarvan de authenticiteit niet kan worden vastgesteld niet zonder meer geen waarde mag worden toegekend. De rechtbank overweegt verder dat op voorhand niet valt uit te sluiten dat het in dit geval redelijkerwijs onmogelijk, onevenredig bezwarend of onuitvoerbaar is dat de minister de authenticiteit van de aangifte ook op andere manieren kan verifiëren dan door voorlegging aan Bureau Documenten. De minister heeft ter zitting benadrukt dat het de combinatie van tegenwerpingen, zoals hierboven genoemd, is die maakt dat eiseres wordt tegengeworpen niet te voldoen aan artikel 31, zesde lid, onder c, Vw. Gelet op hetgeen hierboven overwogen, oordeelt de rechtbank dat de minister dit standpunt onvoldoende heeft gemotiveerd. Anders dan de minister is de rechtbank van oordeel dat eiseres niet ondubbelzinnig heeft verklaard dat zij zich op dezelfde manier als eerder zou uiten bij terugkeer naar Iran. Eiseres weliswaar gezegd dat zij zich niet heel anders zal gedragen, maar heeft daarbij aangegeven dat dat komt door de consequenties die anders zullen volgen.20 Ook heeft zij verklaard dat zij op haar werk in Iran wel regelmatig uiting heeft (proberen) te geven aan haar geloof/afvalligheid en dat zij daardoor ook problemen heeft ervaren.21De minister heeft in die context niet kunnen volstaan met de overweging dat eiseres eerder geen problemen heeft ondervonden vanwege haar agnosticisme en dat dat daarom bij terugkeer ook niet zo zal zijn. De rechtbank oordeelt daarom dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat eiseres bij terugkeer naar Iran geen reëel risico op vervolging of ernstige schade loopt. Ook hierom is het beroep gegrond.
Betrokken advocaten
mr. A.E. Ge
eiser
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RBDHA:2026:1950, Rechtbank Den Haag, 05-02-2026, NL25.40149
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:1948, Rechtbank Den Haag, 05-02-2026, NL25.40146
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:1802, Rechtbank Den Haag, 03-02-2026, NL25.28216
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:1805, Rechtbank Den Haag, 03-02-2026, NL25.46491
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Gegevens
Datum uitspraak
31 oktober 2025
Instantie
Rechtbank Den HaagRechtsgebied
Bestuursrecht; VreemdelingenrechtZaaknummer
NL25.7659
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2025:20205