ECLI:NL:RBDHA:2025:5864, Rechtbank Den Haag, 08-04-2025, NL24.23552 — RBDHA:2025:5864
Samenvatting
[digitale ingebrekestelling, artikel 2:15 van de Awb]. Tussen juni 2022 en mei 2024 was sprake van een bestendige bestuurspraktijk, die inhield dat het voor alle advocaten mogelijk was in lopende asielzaken ingebrekestellingen in te dienen via het Portaal voor Advocaten. De minister heeft deze wijze van indiening van een ingebrekestelling vanaf mei 2024 beëindigd. In geschil is of de minister daartoe bevoegd was. Uit artikel 2:15 van de Awb volgt dat de openstelling van elektronisch verkeer met een bestuursorgaan van facultatieve aard is. Een bestuursorgaan kan niet gedwongen worden om van de elektronische weg gebruik te maken. Uit die facultatieve aard vloeit logischerwijs ook voort dat niet gezegd kan worden dat een bestuursorgaan niet bevoegd zou zijn om een geopende elektronische weg weer te sluiten. De rechtbank acht het in strijd met de strekking van artikel 2:15 van de Awb als de minister de opengestelde elektronische weg zondermeer weer kan sluiten en op die manier een hogere drempel opwerpt voor correspondentie. De minister dient daarvan naar het oordeel van de rechtbank terughoudend gebruik te maken en kan daartoe uitsluitend overgaan als daaraan een deugdelijke motivering ten grondslag ligt. Die motivering ontbreekt. De minister heeft niet deugdelijk gemotiveerd waarom in het niet kunnen onderkennen van digitale ingebrekestelling een noodzaak lag de elektronische weg af te sluiten. Ook met fax- of postverkeer kan zich de situatie voordoen dat ingebrekestellingen samen met andere stukken worden verzonden en daardoor moeilijk kunnen worden opgemerkt. Dat geldt ook voor het niet gebruiken van het formulier ‘Ingebrekestelling bij niet tijdig beslissen’. De rechtbank acht ook van belang dat de minister niet is nagegaan of minder verstrekkende maatregelen dan sluiting van de elektronische weg mogelijk waren om het missen van ingebrekestellingen te voorkomen. De minister had bijvoorbeeld, gelet op artikel 2:15, eerste lid, tweede zin, van de Awb de mogelijkheid om nadere eisen te stellen aan het gebruik van de elektronische weg. De minister had met het oog op de ordelijke behandeling voorwaarden kunnen verbinden aan de wijze van indiening van digitale ingebrekestellingen om op die manier de herkenbaarheid daarvan te vergroten. Maar dat is niet gebeurd. Dit betekent dat de omstandigheid dat verzoeker de ingebrekestelling via het Portaal voor Advocaten heeft ingediend niet maakt dat deze niet aangemerkt kan worden als geldige ingebrekestelling.
Betrokken advocaten
mr. K. Jansen
verzoeker
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RBDHA:2026:892, Rechtbank Den Haag, 21-01-2026, NL24.48275
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2025:23429, Rechtbank Den Haag, 09-12-2025, NL25.26078
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2025:23466, Rechtbank Den Haag, 09-12-2025, NL25.32082
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2025:22787, Rechtbank Den Haag, 02-12-2025, NL25.23775
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Gegevens
Datum uitspraak
8 april 2025
Instantie
Rechtbank Den HaagRechtsgebied
Bestuursrecht; VreemdelingenrechtZaaknummer
NL24.23552
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2025:5864