Juristi.nl
ECLI:NL:RBDHA:2026:1324Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht

ECLI:NL:RBDHA:2026:1324, Rechtbank Den Haag, 27-01-2026, NL23.12804 — RBDHA:2026:1324

Samenvatting

Prejudiciële vraag over bewijslast feitelijke toegankelijkheid van noodzakelijke medische zorg in land waar de terugkeerverplichting op ziet. Eiser is afkomstig uit Guinee en heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij een homoseksuele geaardheid heeft en daardoor problemen heeft ondervonden in Guinee. De rechtbank overweegt, voorlopig oordelend, dat aan eiser geen internationale beschermingsstatus hoeft te worden verleend en dat het belang van het kind niet in de weg staat aan het vaststellen van een terugkeerbesluit. Eiser is ernstig ziek en wordt thans in Nederland behandeld. Uit het BMA-advies dat naar aanleiding van de zitting bij de rechtbank is opgemaakt, volgt dat indien de medische behandeling niet wordt voortgezet, er binnen een indicatieve termijn van drie tot zes maanden een medische noodsituatie zal ontstaan. In het BMA-advies is vermeld dat de noodzakelijke medische behandeling beschikbaar is in Guinee. In de nationale rechtspraktijk ligt de bewijslast van de feitelijke (on)toegankelijkheid van deze noodzakelijke medische behandeling bij de derdelander en draagt de derdelander ook het bewijsrisico omdat dit zou volgen uit het arrest Paposhvili van het EHRM. Verweerder is echter op grond van artikel 5 van richtlijn 2008/115 verplicht om bij de tenuitvoerlegging van deze richtlijn en dus ook bij het vaststellen van een terugkeerbesluit, rekening te houden met de gezondheidstoestand van eiser en om het beginsel van non-refoulement te eerbiedigen. De rechtbank vraagt zich dan ook af, voor zover deze bewijslastverdeling al zou volgen uit het arrest Paposhvili, of uit het Unierecht méér verplichtingen voor verweerder volgen dan uit het EVRM en of het Unierecht daarom méér bescherming aan ernstig zieke derdelanders biedt dan artikel 3 van het EVRM. De rechtbank stelt onder verwijzing naar de arresten van het Hof in de zaken X, Medicinale Cannabis van 22 november 2022 en Ararat van 17 oktober 2024 de vraag aan het Hof of artikel 5 van richtlijn 2008/115, gelezen in samenhang met artikelen 1, 4 en 19, tweede lid, van het Handvest van de Grondrechten, de verplichting voor verweerder omvat om, alvorens een terugkeerbesluit vast te stellen, na te gaan of de voor eiser noodzakelijke medische behandeling ook daadwerkelijk voor hem feitelijk toegankelijk zal zijn na terugkeer. De rechtbank schorst de behandeling van het beroep totdat het Hof de prejudiciële vraag van de rechtbank heeft beantwoord.

Betrokken advocaten

mr. R.M. Tjong Kim Sang

eiser

Sahin & Stoetzer Advocaten, LENT

mr. J. Raaijmakers

eiser

Betrokken rechters

Gerelateerde uitspraken

Gegevens

Datum uitspraak

27 januari 2026

Zaaknummer

NL23.12804

Procedure

Tussenuitspraak

ECLI

ECLI:NL:RBDHA:2026:1324

Bekijk op rechtspraak.nl

Recente uitspraken

Rechter wijst spoedmaatregel asielzoeker af na Dublin-overdracht
Rechtbank Den Haag·2 april 2026
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Nigeriaanse man verliest beroep tegen terugkeerbesluit
Rechtbank Den Haag·2 april 2026
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Rechter wijst voorlopige voorziening Jordaanse asielzoeker af
Rechtbank Den Haag·2 april 2026
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Jordaanse man verliest beroep tegen afwijzing tweede asielaanvraag
Rechtbank Den Haag·2 april 2026
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Rechter vernietigt afwijzing asielaanvraag Somalische man die nooit in Somalië woonde
Rechtbank Den Haag·2 april 2026
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht