ECLI:NL:RBDHA:2026:2065, Rechtbank Den Haag, 05-02-2026, NL24.33712 — RBDHA:2026:2065
Samenvatting
AA; mondelinge uitspraak (einduitspraak na tussenuitspraak); Iran: afvalligheid; bestuurlijke lus; in tussenuitspraak geconstateerde gebreken niet geheeld in aanvullend besluit; huidige situatie in Iran; samenwerkingsplicht. De eerste reden voor vernietiging van de besluiten is dat verweerder met het aanvullend besluit een onjuiste en onvoldoende uitvoering heeft gegeven aan de tussenuitspraak. Wat verweerder in het aanvullend besluit heeft gemotiveerd is dat het voor eiser, ter behoud van zijn religieuze identiteit, niet noodzakelijk is dat hij zich Iran openlijk uit over zijn afvalligheid, dat daarom wordt verwacht dat hij dit, zowel op het vliegveld als daarbuiten, niet zal doen, dat de Iraanse autoriteiten daarom niet op de hoogte zullen raken van zijn afvalligheid en dat eiser daarom geen problemen te duchten heeft van die autoriteiten. De tussenuitspraak bood verweerder echter geen ruimte om over de wijze van uiting van de afvalligheid in Iran en de verwachtingen daaromtrent een nader standpunt in te nemen. Dat is binnen het bestek van deze procedure een gepasseerd station. De tweede reden voor vernietiging van de besluiten is gelegen in de actuele situatie in Iran. Het ligt op de weg van verweerder, in het kader van de samenwerkingsplicht, om te onderzoeken hoe de Iraanse autoriteiten op dit moment aankijken tegen en omgaan met Iraniërs die terugkeren na een langer verblijf in het Westen en om de twijfel weg te nemen dat deze groep bij terugkeer naar Iran te maken zal krijgen met vervolging of ernstige schade enkel als gevolg van hun verblijf in het Westen. Dergelijk onderzoek heeft verweerder niet verricht. Verweerder heeft ook niet om aanhouding verzocht om dergelijk onderzoek te kunnen verrichten. Gelet hierop heeft verweerder binnen het bestek van deze procedure niet deugdelijk gemotiveerd dat eiser bij terugkeer naar Iran geen risico loopt op asielwaardige problemen met de Iraanse autoriteiten vanwege zijn lange verblijf in Nederland. Verweerder zal een nieuw besluit moeten nemen op de asielaanvraag. Daarin dient verweerder op basis van de huidige stand van zaken een geloofwaardigheidsbeoordeling te maken ten aanzien van de bekering van eiser en een risico-inschatting te maken ten aanzien van de geloofwaardige afvalligheid en de terugkeer vanuit het Westen, tegen de achtergrond van de actuele situatie en gebeurtenissen in Iran. Beroep gegrond.
Betrokken advocaten
mr. I. Vugs
eiser
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RBDHA:2026:2078, Rechtbank Den Haag, 05-02-2026, AWB 24/13170
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:2081, Rechtbank Den Haag, 05-02-2026, AWB 24/13171
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2025:27233, Rechtbank Den Haag, 19-11-2025, NL25.50729
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2025:13048, Rechtbank Den Haag, 16-05-2025, NL25.20617
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Gegevens
Datum uitspraak
5 februari 2026
Instantie
Rechtbank Den HaagRechtsgebied
Bestuursrecht; VreemdelingenrechtZaaknummer
NL24.33712
Procedure
Proces-verbaal
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:2065