ECLI:NL:RBDHA:2026:347, Rechtbank Den Haag, 12-01-2026, NL24.34975 — RBDHA:2026:347
Samenvatting
Asiel Bosnië Herzegovina – de rechtbank heeft door het doen van een tussenuitspraak partijen in de gelegenheid gesteld om een standpunt in te nemen over de vraag of het ontbreken van procesbelang bij de beoordeling van het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag, betekent dat er geen inhoudelijke rechterlijke controle van het terugkeerbesluit hoeft plaats te vinden. Anders dan verweerder overweegt de rechtbank dat de verplichtingen die voor verweerder en de rechtbank voortvloeien uit richtlijn 2008/115 niet onder de procedurele autonomie vallen. Deze verplichtingen staan bovendien los van de mogelijkheid voor de vreemdeling om een verblijfsvergunning aan te vragen en dus ook los van de beoordeling in die verblijfsprocedure, met dien verstande dat pas als wordt beslist dat geen verblijfsvergunning wordt verleend, de vraag aan de orde is of een terugkeerbesluit mag en moet worden vastgesteld. De verplichtingen die voortvloeien uit richtlijn 2008/115 gelden onverkort in het geval dat mag worden aangenomen dat de vreemdeling geen prijs meer stelt op het verkrijgen van een verblijfsvergunning in Nederland en dus ook indien de vreemdeling ‘mob gaat’ in een asielprocedure. De nationale rechtspraktijk, die geen wettelijke grondslag heeft en waarin een verzoek om internationale bescherming niet-ontvankelijk wordt verklaard omdat wordt aangenomen dat de vreemdeling niet langer internationale bescherming wenst, is niet verenigbaar is met de verplichtingen die voortvloeien uit richtlijn 2008/115 omdat deze verplichtingen in iedere procedure een inhoudelijke beoordeling vereisen. Eiser heeft er belang bij dat zijn grondrechten worden geëerbiedigd en eiser ondervindt gevolgen van de vaststelling van het TKB, de signalering hiervan in het SIS en de uitvaardiging van het inreisverbod dat is gestoeld op dit TKB. Verweerder heeft in en na het besluit ten onrechte niet beoordeeld of de gezondheidssituatie en het privéleven van eiser in de weg staan aan het vaststellen van een terugkeerbesluit. De stelling van verweerder dat hij dit niet kan beoordelen omdat eiser ‘mob is’, is onjuist want verweerder kan deze beoordeling verrichten op grond van de verklaringen die eiser heeft afgelegd, de standpunten die de gemachtigde van eiser namens eiser naar voren heeft gebracht en de medische informatie waar verweerder al over beschikt. De rechtbank vernietigt het terugkeerbesluit. Het inreisverbod kan daarom ook geen stand houden en de rechtbank draagt verweerder op om de SIS-signalering te verwijderen. De rechtbank draagt verweerder ook op om de kosten van de iMMO-rapportage te voldoen omdat het aanvankelijk ongeloofwaardig geachte asielrelaas op grond van deze rapportage alsnog integraal geloofwaardig is bevonden. De rechtbank geeft verweerder uitdrukkelijk mee om te reflecteren op zijn (structurele) proceshouding als wordt verzocht om vergoeding van de kosten van het opstellen van een iMMO-rapportage. Beroep gegrond, PKV en vergoeding iMMO-kosten.
Betrokken advocaten
mr. S.H.F. Pols
eiser
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RBDHA:2026:1030, Rechtbank Den Haag, 23-01-2026, NL26.1839
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:846, Rechtbank Den Haag, 20-01-2026, NL26.1331
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:591, Rechtbank Den Haag, 14-01-2026, NL25.35314
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:590, Rechtbank Den Haag, 14-01-2026, NL25.35327
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Gegevens
Datum uitspraak
12 januari 2026
Instantie
Rechtbank Den HaagRechtsgebied
Bestuursrecht; VreemdelingenrechtZaaknummer
NL24.34975
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:347