ECLI:NL:RBDHA:2026:4119, Rechtbank Den Haag, 02-03-2026, NL25.60162 — RBDHA:2026:4119
Samenvatting
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven, omdat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom hij ongeloofwaardig heeft geacht dat de ex-partner van eiseres voor de CICPC werkte. De minister heeft ook niet voldoende gemotiveerd waarom de vrees van eiseres voor haar ex-partner, mede gelet op de artikelen 61 en 3 van het Verdrag van Istanbul3, niet aannemelijk is.
Betrokken advocaten
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RBDHA:2026:546, Rechtbank Den Haag, 14-01-2026, NL25.35082
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:439, Rechtbank Den Haag, 09-01-2026, NL25.36465
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:977, Rechtbank Den Haag, 07-01-2026, NL25.53137 en NL25.53138
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2025:27175, Rechtbank Den Haag, 24-12-2025, NL25.54512 en NL25.54513
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Gegevens
Datum uitspraak
2 maart 2026
Instantie
Rechtbank Den HaagRechtsgebied
Bestuursrecht; VreemdelingenrechtZaaknummer
NL25.60162
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:4119