Rechter wijst vrijlatingsberoep migrant af ondanks lange bewaring — RBDHA:2026:4262
vreemdelingenbewaring / zicht op uitzetting
Eiser / verzoeker
De in bewaring gestelde vreemdeling (naam geanonimiseerd)
Verweerder / gedaagde
Minister van Asiel en Migratie
Het beroep tegen de voortduring van de vreemdelingenbewaring werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
- Zicht op uitzetting naar Egypte ontbreekt niet in het algemeen, ondanks zes rappels zonder reactie van Egyptische autoriteiten
- De vreemdeling werkt niet mee aan vaststelling van zijn identiteit en nationaliteit, wat de trage voortgang van het laissez-passer traject verklaart
- Op de vreemdeling rust een wettelijke plicht om actief mee te werken aan zijn uitzetting
- Ambtshalve toetsing aan non-refoulementbeginsel en recht op gezins- en familieleven leverde geen grond op voor onrechtmatigheid van de bewaring
Samenvatting
Een man zonder geldige verblijfsstatus in Nederland zit al vier maanden in vreemdelingenbewaring. Hij is opgesloten omdat de overheid hem wil uitzetten naar Egypte, maar dat lukt vooralsnog niet. De man stapte naar de rechter om zijn vrijlating te eisen en vroeg ook om schadevergoeding.
De kern van het geschil draait om de vraag of er nog reëel zicht bestaat op uitzetting binnen een redelijke termijn. De man betoogde van niet: de Dienst Terugkeer en Vertrek heeft al zes herinneringen gestuurd naar de Egyptische autoriteiten voor een reisdocument (laissez-passer), maar heeft tot nu toe geen enkele reactie ontvangen. Na vier maanden zonder resultaat zou de bewaring zinloos zijn geworden, zo redeneerde zijn advocaat.
De rechtbank gaat daar niet in mee. Zij wijst erop dat uitzetting naar Egypte in het algemeen wel degelijk mogelijk is en verwijst naar een eerdere uitspraak uit Groningen waarbij cijfers zijn overlegd die dit bevestigen. Dat het in dit concrete geval langer duurt, heeft volgens de rechter een duidelijke oorzaak: de man werkt zelf niet mee. Uit verslagen van vertrekgesprekken in december 2025 en januari 2026 blijkt dat hij niets heeft ondernomen om zijn terugkeer te bespoedigen en ook niet bijdraagt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit. Dat bemoeilijkt de procedure voor een reisdocument aanzienlijk.
De rechtbank benadrukt dat een vreemdeling de wettelijke plicht heeft om actief mee te werken aan zijn eigen uitzetting. Nu de man dat nalaat, kan hij de trage voortgang niet aanvoeren als argument voor zijn vrijlating. Bovendien heeft hij geen concrete aanwijzingen aangedragen waaruit zou blijken dat ook bij volledige medewerking het traject op niets zou uitlopen.
Darnaast heeft de rechtbank uit eigen beweging getoetst of er andere redenen zijn om de bewaring onrechtmatig te achten. Zij keek hierbij ook naar Europese rechtspraak, waaronder een recent arrest van het Europees Hof van Justitie dat bepaalt dat rechters ambtshalve moeten nagaan of uitzetting strijdig is met het non-refoulementbeginsel (verbod op terugzending naar een land waar iemand gevaar loopt) of met het recht op gezinsleven. De rechtbank constateert dat er geen aanwijzingen zijn dat deze beginselen in de weg staan aan de uitzetting van deze man.
Het beroep wordt ongegrond verklaard en de man blijft in bewaring. Zijn verzoek om schadevergoeding wordt eveneens afgewezen.
Betrokken advocaten
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RBDHA:2026:1986, Rechtbank Den Haag, 30-01-2026, NL26.3121
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RVS:2026:305, Raad van State, 22-01-2026, BRS.25.002762
Raad van State · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:175, Rechtbank Den Haag, 06-01-2026, NL25.61851 NL25.61860
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2025:25607, Rechtbank Den Haag, 31-12-2025, NL25.62782
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Gegevens
Datum uitspraak
16 februari 2026
Instantie
Rechtbank Den HaagRechtsgebied
Bestuursrecht; VreemdelingenrechtZaaknummer
NL26.6649
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:4262