Dierenwinkelbaas veroordeeld voor misbruik minderjarig stagiair — RBDHA:2026:6445
zedenmisdrijf / ontucht met minderjarige / misbruik van overwicht
Eiser / verzoeker
Officier van justitie (mr. M. van Kampen)
Verweerder / gedaagde
Verdachte (geboren 1962)
Verdachte vrijgesproken van feiten 1 en 2 (ontucht en aanranding) en feit 3 primair (verkrachting), maar veroordeeld voor feit 3 subsidiair (misbruik van overwicht over minderjarige pupil voor ontuchtige handelingen).
- Vrijspraak feiten 1 en 2 wegens ontbreken van steunbewijs: verklaringen aangeefsters worden niet voldoende bevestigd door onafhankelijk bewijsmateriaal (art. 342 lid 2 Sv).
- Vrijspraak feit 3 primair (verkrachting) wegens onvoldoende bewijs van dwang, conform standpunt officier van justitie en verdediging.
- Bewezenverklaring feit 3 subsidiair: verdachte heeft minderjarige pupil/medewerkster door misbruik van feitelijk overwicht bewogen tot dulden van ontuchtige handelingen inclusief seksueel binnendringen.
- Rechtbank past Hoge Raad-jurisprudentie toe: steunbewijs hoeft de seksuele handelingen zelf niet te bevestigen, maar moet van een onafhankelijke bron afkomstig zijn en een niet te ver verwijderd verband hebben.
- Schadevergoedingsverzoek van aangeefster 2 kan niet via strafrechtelijke weg worden toegewezen nu verdachte voor het haar betreffende feit is vrijgesproken.
Samenvatting
Een man uit Den Haag stond terecht voor meerdere zedenfeiten jegens twee jonge vrouwen die bij hem werkten in zijn dierenwinkels. De verdachte, geboren in 1962, werd beschuldigd van ontucht en aanranding over een periode van meerdere jaren.
De rechtbank Den Haag sprak de man vrij van twee van de drie tenlastegelegde feiten. Voor het eerste feit — het betasten van aangeefster 1 in de periode 2020-2022, toen zij nog geen zestien jaar oud was — ontbrak voldoende steunbewijs. Haar verklaring werd door haar ouders op sommige punten ondersteund, maar de specifieke aanrakingen kwamen daarin niet terug. Omdat bij zedenzaken de verklaring van één getuige wettelijk onvoldoende is om tot een veroordeling te komen, volgde vrijspraak.
Voor het tweede feit — de aanranding van een tweede aangeefster tijdens een stage in maart 2021 — gold hetzelfde probleem. Hoewel berichtenverkeer aantoonde dat de stagiaire het gedrag van de verdachte als zeer onprettig had ervaren, waren die berichten onvoldoende concreet om aanranding te bewijzen. Bovendien kwamen ze allemaal van dezelfde bron: de aangeefster zelf. Ook voor dit feit sprak de rechtbank de verdachte vrij.
Wel bewezen achtte de rechtbank het zogenoemde subsidiaire feit: in de periode van februari 2022 tot januari 2024 heeft de verdachte de inmiddels oudere aangeefster 1 — die hij door haar positie als zijn pupil en minderjarige medewerkster in zijn macht had — bewogen tot het dulden van ontuchtige handelingen. Uit de aangifte blijkt een gedetailleerd patroon: de verdachte trok haar naar zich toe bij een kapotte beveiligingscamera, betastte haar borsten en billen, en drong meerdere malen met zijn vingers haar vagina binnen. Dit speelde zich af in de laatste maand van haar dienstverband, waarbij zij aangaf te hebben gezwegen uit angst haar baan te verliezen.
De rechtbank oordeelde dat er in dit geval wél voldoende wettig en overtuigend bewijs was voor de subsidiaire variant: misbruik van feitelijk overwicht over een minderjarige die aan zijn zorg was toevertrouwd. Het primaire feit — verkrachting — werd door zowel officier van justitie als rechtbank niet bewezen geacht bij gebrek aan bewijs van dwang in juridische zin.
De verdachte werd veroordeeld voor het subsidiaire zedendelict jegens aangeefster 1 in de periode 2022-2024. Aangeefster 2 had via haar advocaat mr. V.C.D. Klaassen ook een verzoek tot schadevergoeding ingediend, maar nu de verdachte voor het aan haar gerelateerde feit werd vrijgesproken, kan die vordering langs die weg niet worden toegewezen.
Betrokken advocaten
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RBDHA:2026:1782, Rechtbank Den Haag, 03-02-2026, 09/274773-25 en 83/393477-24 (tul)
Rechtbank Den Haag · Strafrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:1790, Rechtbank Den Haag, 03-02-2026, 09/274761-25
Rechtbank Den Haag · Strafrecht
ECLI:NL:CRVB:2026:72, Centrale Raad van Beroep, 14-01-2026, 24/2589 TW
Centrale Raad van Beroep · Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
ECLI:NL:RBDHA:2025:24324, Rechtbank Den Haag, 19-12-2025, 25/7757
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Gegevens
Datum uitspraak
25 maart 2026
Instantie
Rechtbank Den HaagRechtsgebied
StrafrechtZaaknummer
09/079522-24
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:6445