Juristi.nl
ECLI:NL:RBDHA:2026:6808Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht

Rechter dwingt minister te beslissen over gezinshereniging asielzoekers — RBDHA:2026:6808

Niet tijdig beslissen op mvv-aanvragen gezinshereniging / vreemdelingenrecht

Eiser / verzoeker

Zes vreemdelingen (gezinshereniging bij asielvergunninghouder)

VS

Verweerder / gedaagde

Minister van Asiel en Migratie

Beroep gegrond: minister moet binnen acht weken beslissen op de aanvragen, met een dwangsom van €100 per dag (max €15.000) bij overschrijding, en moet de bestuurlijke dwangsom van €1.442 betalen.

  • Minister heeft de wettelijke beslistermijn van 90 dagen (plus verlenging) voor de mvv-aanvragen overschreden zonder besluit te nemen
  • Gezinshereniging bij asielvergunninghouders geldt als 'bijzonder geval' wat doorwerkt in de door de rechter op te leggen nieuwe beslistermijn (8 of 20 weken)
  • Rechterlijke dwangsom van €100 per dag (max €15.000) opgelegd bij verdere overschrijding
  • Bestuurlijke dwangsom vastgesteld op €1.442 (wettelijk maximum) wegens meer dan 42 dagen na ingebrekestelling
  • Griffierecht kwijtgescholden en proceskosten van €467 toegewezen ten laste van de minister

Samenvatting

Een groep van zes vreemdelingen vroeg in mei 2024 een machtiging voor voorlopig verblijf aan bij de minister van Asiel en Migratie. Zulke aanvragen hangen samen met gezinshereniging bij een familielid dat al een asielvergunning heeft in Nederland. De minister had wettelijk de plicht om binnen 90 dagen te beslissen, maar verlengde die termijn met drie maanden. Ook daarna bleef een besluit uit.

Nadat de wettelijke termijn ruimschoots was verstreken, stelden de eisers de minister formeel in gebreke en vroegen alsnog binnen twee weken een besluit. Dat leverde niets op. Daarop stapten zij naar de rechter en dienden een beroep wegens niet tijdig beslissen in bij de Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen.

De rechtbank stelde vast dat de minister inderdaad te laat was en verklaarde het beroep gegrond. Bij dit soort zaken — gezinshereniging bij asielvergunninghouders — is volgens vaste rechtspraak sprake van een 'bijzonder geval', waarmee rekening moet worden gehouden bij het opleggen van een nieuwe beslistermijn. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bevestigde deze lijn eerder dit jaar nog in mei 2025.

De rechtbank erkende dat het dossier mogelijk nog niet volledig is. De minister moet wellicht nog aanvullende documenten opvragen of is in afwachting van een reactie op een eerder herstelverzoek. Daarom kreeg de minister acht weken om alsnog te beslissen. Mocht de minister binnen die termijn besluiten tot nader onderzoek, dan geldt een langere termijn van twintig weken.

Om de druk te verhogen legde de rechtbank ook een rechterlijke dwangsom op: overschrijdt de minister de nieuwe beslistermijn, dan moet hij €100 per dag betalen, met een maximum van €15.000. Daarnaast stelde de rechtbank de eerder opgebouwde bestuurlijke dwangsom vast op €1.442 — het wettelijk maximum, omdat al meer dan 42 dagen waren verstreken na de ingebrekestelling zonder dat er een besluit was genomen. De proceskosten van de eisers worden vergoed voor een bedrag van €467.

Betrokken advocaten

mr. M.R. Verdoner

eiser

Utens Advocaten, LEEUWARDEN

Betrokken rechters

Gerelateerde uitspraken

Gegevens

Datum uitspraak

27 maart 2026

Zaaknummer

NL25.61341

Procedure

Vereenvoudigde behandeling

ECLI

ECLI:NL:RBDHA:2026:6808

Bekijk op rechtspraak.nl

Recente uitspraken

Rechter wijst spoedmaatregel asielzoeker af na Dublin-overdracht
Rechtbank Den Haag·2 apr 2026
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Nigeriaanse man verliest beroep tegen terugkeerbesluit
Rechtbank Den Haag·2 apr 2026
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Rechter wijst voorlopige voorziening Jordaanse asielzoeker af
Rechtbank Den Haag·2 apr 2026
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Jordaanse man verliest beroep tegen afwijzing tweede asielaanvraag
Rechtbank Den Haag·2 apr 2026
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Rechter vernietigt afwijzing asielaanvraag Somalische man die nooit in Somalië woonde
Rechtbank Den Haag·2 apr 2026
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht