Rechter dwingt minister tot besluit op Syrische asielaanvraag — RBDHA:2026:6819
asielrecht / niet tijdig beslissen / dwangsom
Eiser / verzoeker
Asielzoeker (naam geanonimiseerd)
Verweerder / gedaagde
Minister van Asiel en Migratie
Beroep gegrond verklaard; minister moet binnen vier weken een besluit nemen op de asielaanvraag, op straffe van een dwangsom van €100 per dag met een maximum van €15.000.
- WBV 2023/3 is onrechtmatig verklaard door het HvJ EU (arrest 8 mei 2025), waardoor de standaard beslistermijn van zes maanden gold
- Het Besluit- en Vertrekmoratorium voor Syriërs (december 2024 – juni 2025) werkt als opschorting van de beslistermijn, ook als die al was verstreken
- Na opschorting resteerden zeven dagen beslistermijn, die eindigde op 21 juni 2025; tweede beroep van 11 februari 2026 is ontvankelijk en gegrond
- Nieuwe beslistermijn vastgesteld op vier weken vanwege overschrijding van de 21-maandsgrens en reeds gehouden gehoren
- Dwangsom van €100 per dag met verhoogd maximum van €15.000 opgelegd; proceskosten vergoed voor €233,50
Samenvatting
Een asielzoeker die in februari 2023 een asielaanvraag indiende, wacht al jaren op een beslissing van de minister van Asiel en Migratie. Eerder had de rechtbank Den Haag (zittingsplaats Groningen) al vastgesteld dat de minister te traag was en hem verplicht binnen zestien weken te beslissen, op straffe van een dwangsom van maximaal €7.500. Omdat de minister ook die termijn niet haalde, diende de asielzoeker een tweede beroep wegens niet tijdig beslissen in.
In dit tweede beroep speelt een reeks juridische complicaties. Allereerst stelt de rechtbank vast dat het beleidsbesluit WBV 2023/3, dat eerder werd toegepast om een langere beslistermijn te rechtvaardigen, inmiddels onrechtmatig is verklaard door het Hof van Justitie van de Europese Unie in een arrest van mei 2025. Dat betekent dat de minister in beginsel binnen zes maanden had moeten beslissen op de asielaanvraag.
Tussen die verplichtingen in stelde de minister in december 2024 een Besluit- en Vertrekmoratorium (BVM) in voor Syriërs, vanwege de onzekere situatie in Syrië na de val van het regime. Dit moratorium liep van 14 december 2024 tot en met 13 juni 2025. De vraag was hoe dit moratorium doorwerkt op de al verlopen beslistermijn.
De rechtbank kiest voor een creatieve maar gemotiveerde uitleg: hoewel de wet spreekt van 'verlengen' van de beslistermijn, legt de rechter dit uit als 'opschorten'. Daarvoor wijst zij op de Europese Procedurerichtlijn, die in de Engelse versie spreekt van 'postpone', en op het doel van een BVM: als de situatie in het land van herkomst te onduidelijk is om een weloverwogen beslissing te nemen, heeft het geen zin om door te tellen — maar zodra die situatie opklaart, loopt de klok gewoon verder. Ook aanvragen waarbij de beslistermijn al was verstreken vóór het BVM, worden door de opschorting geraakt.
Concreet voor deze zaak: van de door de rechtbank opgelegde zestienweekse termijn waren veertien weken en vijf dagen verstreken op het moment dat het BVM inging. Na afloop van het BVM op 13 juni 2025 resteerden nog zeven dagen, zodat de minister uiterlijk 21 juni 2025 een besluit had moeten nemen. Omdat de asielzoeker het tweede beroep pas op 11 februari 2026 indiende, is dat beroep ontvankelijk en gegrond.
Bij het opleggen van een nieuwe beslistermijn houdt de rechtbank rekening met het feit dat de wettelijke maximumtermijn van 21 maanden al ruimschoots is overschreden én dat er al twee gehoren hebben plaatsgevonden — in augustus 2024 en oktober 2025. In zulke omstandigheden acht de rechter een termijn van vier weken passend, in plaats van de gebruikelijke acht weken.
De rechtbank legt een nieuwe dwangsom op van €100 per dag bij overschrijding, met een maximum van €15.000 — hoger dan de eerdere €7.500. Dat de eerste dwangsom kennelijk geen effect had, vindt de rechter geen reden om de dagelijkse prikkel verder te verhogen, maar het hogere maximum biedt meer druk om alsnog snel te handelen. De proceskosten worden op €233,50 vastgesteld, lager dan bij een eerste beroep wegens niet tijdig beslissen, omdat het werk voor een opvolgend beroep beperkter is.
Betrokken advocaten
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RBDHA:2026:1762, Rechtbank Den Haag, 29-01-2026, NL25.35496
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:1094, Rechtbank Den Haag, 26-01-2026, NL25.56955
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:555, Rechtbank Den Haag, 14-01-2026, NL25.35495
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:295, Rechtbank Den Haag, 09-01-2026, NL25.35517
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Gegevens
Datum uitspraak
27 maart 2026
Instantie
Rechtbank Den HaagRechtsgebied
Bestuursrecht; VreemdelingenrechtZaaknummer
NL26.7770
Procedure
Vereenvoudigde behandeling
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:6819