Rechter dwingt minister tot besluit over asielaanvraag met dwangsom — RBDHA:2026:6826
Asielrecht / niet tijdig beslissen op asielaanvraag
Eiser / verzoeker
Asielzoeker (naam geanonimiseerd)
Verweerder / gedaagde
Minister van Asiel en Migratie
Beroep gegrond verklaard; minister moet binnen zestien weken beslissen op de asielaanvraag, op straffe van een dwangsom van €100 per dag met een maximum van €15.000.
- De minister heeft de wettelijke beslistermijn op de asielaanvraag van 7 februari 2025 overschreden zonder besluit te nemen.
- De rechtbank hanteert het '8+8 wekenmodel' van de Afdeling bestuursrechtspraak en legt een nieuwe beslistermijn van zestien weken op.
- Bij overschrijding van de nieuwe termijn is een dwangsom van €100 per dag verschuldigd, met een maximum van €15.000.
- De minister moet de proceskosten van de asielzoeker van €467 vergoeden.
Samenvatting
Een asielzoeker heeft met succes bij de rechtbank afgedwongen dat de minister van Asiel en Migratie alsnog een beslissing neemt op zijn asielaanvraag. De man had zijn aanvraag ingediend op 7 februari 2025, maar de minister liet de wettelijke beslistermijn verstrijken zonder een besluit te nemen.
Nadat de termijn was verstreken, stuurde de asielzoeker een brief aan de minister met het verzoek om binnen twee weken alsnog te beslissen. Toen dat niet gebeurde, stapte hij naar de rechter. De rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, behandelde de zaak zonder zitting en oordeelde dat het beroep ontvankelijk en kennelijk gegrond is: de minister heeft simpelweg te lang gewacht.
Voor het bepalen van een nieuwe beslistermijn sloot de rechtbank aan bij het zogenoemde '8+8 wekenmodel', een systematiek die de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft ontwikkeld voor dit soort gevallen. Dat betekent dat de minister in totaal zestien weken krijgt om een besluit te nemen, te rekenen vanaf de dag na bekendmaking van de uitspraak.
Om te zorgen dat de minister zich ook daadwerkelijk aan deze nieuwe termijn houdt, legt de rechtbank een dwangsom op. Haalt de minister de deadline niet, dan moet hij honderd euro per dag betalen aan de asielzoeker, met een maximum van vijftienduizend euro. Daarnaast moet de minister de proceskosten van de asielzoeker vergoeden, vastgesteld op 467 euro.
Betrokken advocaten
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RBDHA:2026:1813, Rechtbank Den Haag, 03-02-2026, NL25.51771
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:1812, Rechtbank Den Haag, 03-02-2026, NL25.51770
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:1589, Rechtbank Den Haag, 30-01-2026, NL25.59773
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:1264, Rechtbank Den Haag, 27-01-2026, NL25.62772
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Gegevens
Datum uitspraak
27 maart 2026
Instantie
Rechtbank Den HaagRechtsgebied
Bestuursrecht; VreemdelingenrechtZaaknummer
NL26.7963
Procedure
Vereenvoudigde behandeling
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:6826