Rechter dwingt minister tot beslissen op te late asielaanvraag — RBDHA:2026:6827
asiel / niet tijdig beslissen op asielaanvraag / beroep wegens fictief besluit
Eiser / verzoeker
Asielzoeker (naam geanonimiseerd)
Verweerder / gedaagde
Minister van Asiel en Migratie
Beroep gegrond verklaard; minister krijgt zestien weken om alsnog te beslissen op de asielaanvraag, met een dwangsom van €100 per dag bij overschrijding tot maximaal €15.000, en moet €467 proceskosten vergoeden.
- Beslistermijn op asielaanvraag van 4 april 2025 is verstreken zonder dat de minister een besluit heeft genomen
- Beroep wegens niet tijdig beslissen is ontvankelijk en kennelijk gegrond
- Rechtbank legt nieuwe beslistermijn van zestien weken op, conform het '8+8 wekenmodel' van de Raad van State
- Dwangsom van €100 per dag opgelegd bij overschrijding van de nieuwe termijn, met maximum van €15.000
- Minister veroordeeld tot betaling van €467 aan proceskosten
Samenvatting
Een asielzoeker heeft met succes beroep ingesteld bij de rechtbank Den Haag omdat de minister van Asiel en Migratie niet op tijd heeft beslist op zijn asielaanvraag, die hij op 4 april 2025 indiende. De rechtbank deed uitspraak zonder zitting.
Nadat de wettelijke beslistermijn was verstreken, sommeerde de asielzoeker de minister om alsnog binnen twee weken een beslissing te nemen. Toen ook die termijn zonder besluit verstreek, stapte hij naar de rechter. De rechtbank stelde vast dat het beroep ontvankelijk en kennelijk gegrond is: de minister heeft schlicht te lang gewacht zonder te beslissen.
Bij het bepalen van een nieuwe deadline hield de rechtbank rekening met het zogeheten '8+8 wekenmodel', een maatstaf die de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State hanteert bij dit soort zaken. Dat model betekent in de praktijk dat de minister zestien weken de tijd krijgt om alsnog een inhoudelijk besluit te nemen op de asielaanvraag. Die termijn gaat lopen op de dag nadat de uitspraak bekend is gemaakt.
Om te voorkomen dat de minister ook deze nieuwe termijn laat verlopen, legde de rechtbank een dwangsom op. Voor elke dag dat de minister de zestien wekentermijn overschrijdt, moet hij honderd euro betalen aan de asielzoeker, met een maximum van vijftienduizend euro. Daarnaast moet de minister de proceskosten van de asielzoeker vergoeden, vastgesteld op 467 euro.
Betrokken advocaten
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RBDHA:2026:1386, Rechtbank Den Haag, 28-01-2026, NL25.52181
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:414, Rechtbank Den Haag, 12-01-2026, NL25.53794
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:94, Rechtbank Den Haag, 06-01-2026, NL25.54111
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2025:24970, Rechtbank Den Haag, 23-12-2025, NL25.36515
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Gegevens
Datum uitspraak
27 maart 2026
Instantie
Rechtbank Den HaagRechtsgebied
Bestuursrecht; VreemdelingenrechtZaaknummer
NL26.8076
Procedure
Vereenvoudigde behandeling
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:6827