Rechter dwingt minister te beslissen op te lang uitgestelde asielaanvraag — RBDHA:2026:6828
asielrecht / niet tijdig beslissen op asielaanvraag
Eiser / verzoeker
Asielzoeker (naam geanonimiseerd)
Verweerder / gedaagde
Minister van Asiel en Migratie
Beroep gegrond verklaard; minister moet binnen zestien weken beslissen op de asielaanvraag, op straffe van een dwangsom van €100 per dag met een maximum van €15.000, en moet €467 aan proceskosten vergoeden.
- De wettelijke beslistermijn op de asielaanvraag was verstreken zonder dat de minister een besluit had genomen
- De rechtbank paste het '8+8 wekenmodel' toe en gaf de minister zestien weken om alsnog te beslissen
- Bij overschrijding van de nieuwe termijn is een dwangsom van €100 per dag verschuldigd, met een maximum van €15.000
- De minister wordt veroordeeld tot vergoeding van €467 aan proceskosten
Samenvatting
Een asielzoeker heeft met succes beroep ingesteld omdat de minister van Asiel en Migratie niet op tijd heeft beslist op zijn asielaanvraag, ingediend op 15 juli 2025. De rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, oordeelde zonder zitting dat het beroep ontvankelijk en kennelijk gegrond is.
De wettelijke beslistermijn was al verstreken toen de asielzoeker de minister formeel aanschreef met het verzoek binnen twee weken alsnog een beslissing te nemen. Omdat de minister ook aan dat verzoek geen gehoor gaf, stapte de man naar de rechter. De rechtbank stelde vast dat de minister zijn wettelijke plicht heeft verzaakt en verklaarde het beroep gegrond.
Bij het bepalen van een nieuwe deadline hanteerde de rechtbank het zogenoemde '8+8 wekenmodel', een richtlijn die de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State eerder heeft vastgesteld. Dat model schrijft voor dat de minister in dit soort gevallen zestien weken de tijd krijgt om alsnog een besluit te nemen, te rekenen vanaf de dag na bekendmaking van de uitspraak.
Om de naleving van die termijn te waarborgen, legde de rechtbank een dwangsom op. Haalt de minister de deadline niet, dan moet hij de asielzoeker honderd euro per dag betalen, met een maximum van vijftienduizend euro. Daarnaast wordt de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de asielzoeker, vastgesteld op 467 euro.
Betrokken advocaten
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RBDHA:2026:1813, Rechtbank Den Haag, 03-02-2026, NL25.51771
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:1812, Rechtbank Den Haag, 03-02-2026, NL25.51770
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:1589, Rechtbank Den Haag, 30-01-2026, NL25.59773
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:1264, Rechtbank Den Haag, 27-01-2026, NL25.62772
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Gegevens
Datum uitspraak
27 maart 2026
Instantie
Rechtbank Den HaagRechtsgebied
Bestuursrecht; VreemdelingenrechtZaaknummer
NL26.8231
Procedure
Vereenvoudigde behandeling
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:6828