Rechter dwingt minister tot beslissing over asielaanvraag met dwangsom — RBDHA:2026:6829
asielrecht / niet tijdig beslissen op asielaanvraag / dwangsom
Eiser / verzoeker
Asielzoeker (naam geanonimiseerd)
Verweerder / gedaagde
Minister van Asiel en Migratie
Beroep gegrond verklaard; minister moet binnen zestien weken beslissen op de asielaanvraag, op straffe van een dwangsom van €100 per dag met een maximum van €15.000, en moet €467 aan proceskosten vergoeden.
- Beslistermijn op asielaanvraag van 21 juli 2025 was verstreken zonder besluit van de minister
- Beroep wegens niet tijdig beslissen is ontvankelijk en kennelijk gegrond verklaard
- Rechtbank legt nieuwe beslistermijn van zestien weken op conform het '8+8 wekenmodel' van de Raad van State
- Dwangsom van €100 per dag opgelegd met een maximum van €15.000 bij overschrijding van de nieuwe termijn
- Minister veroordeeld tot vergoeding van proceskosten ad €467
Samenvatting
Een asielzoeker heeft met succes beroep ingesteld omdat de minister van Asiel en Migratie niet op tijd een beslissing heeft genomen op zijn asielaanvraag. De aanvraag was ingediend op 21 juli 2025, maar de wettelijke beslistermijn verstreek zonder dat er een besluit volgde.
Nadat de beslistermijn was verlopen, gaf de asielzoeker de minister formeel twee weken de tijd om alsnog te beslissen. Ook aan dat verzoek werd geen gehoor gegeven, waarop hij beroep instelde bij de rechtbank. De rechtbank deed de zaak zonder zitting af en stelde vast dat het beroep ontvankelijk en kennelijk gegrond is: de minister heeft simpelweg te lang gewacht.
Bij het bepalen van een nieuwe, redelijke beslistermijn volgde de rechtbank de zogeheten '8+8 wekenmodel' van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Dit model houdt in dat de minister in totaal zestien weken de tijd krijgt om een inhoudelijk besluit te nemen op de asielaanvraag, te rekenen vanaf de dag na publicatie van de uitspraak.
Om te zorgen dat de minister zich ook daadwerkelijk aan die nieuwe termijn houdt, legde de rechtbank een dwangsom op. Voor elke dag dat de minister de zestienwekengrens overschrijdt, is hij €100 verschuldigd aan de asielzoeker, met een maximum van €15.000. Daarnaast moet de minister de proceskosten van de asielzoeker vergoeden, vastgesteld op €467.
Betrokken advocaten
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RBDHA:2026:1934, Rechtbank Den Haag, 02-02-2026, NL25.51805
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:1583, Rechtbank Den Haag, 30-01-2026, NL25.59296
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:1582, Rechtbank Den Haag, 30-01-2026, NL25.59295
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:1349, Rechtbank Den Haag, 28-01-2026, NL25.45946
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Gegevens
Datum uitspraak
27 maart 2026
Instantie
Rechtbank Den HaagRechtsgebied
Bestuursrecht; VreemdelingenrechtZaaknummer
NL26.8186
Procedure
Vereenvoudigde behandeling
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:6829