Rechter dwingt minister besluit te nemen over Syrische asielaanvraag — RBDHA:2026:6830
asielrecht / niet tijdig beslissen / beslistermijn
Eiser / verzoeker
Asielzoeker (naam geanonimiseerd)
Verweerder / gedaagde
Minister van Asiel en Migratie
Beroep gegrond verklaard; minister moet binnen acht weken beslissen op de asielaanvraag, op straffe van een dwangsom van €100 per dag met een maximum van €15.000.
- WBV 2023/3 is onrechtmatig op grond van HvJ EU-arrest van 8 mei 2025, waardoor de normale beslistermijn van zes maanden geldt.
- Het Besluit- en Vertrekmoratorium voor Syriërs (december 2024 – juni 2025) werkt als opschorting van de beslistermijn, niet als verlenging, conform de Europese Procedurerichtlijn.
- De minister had uiterlijk 14 juni 2025 een besluit moeten nemen; nu dat niet is gebeurd, is het beroep wegens niet tijdig beslissen gegrond.
- Omdat de maximale beslistermijn van 21 maanden ruimschoots is overschreden, krijgt de minister slechts acht weken om alsnog te beslissen.
- Bij overschrijding van die termijn geldt een dwangsom van €100 per dag met een maximum van €15.000.
Samenvatting
Een asielzoeker heeft met succes beroep ingesteld omdat de minister van Asiel en Migratie niet op tijd heeft beslist op zijn asielaanvraag, ingediend op 21 november 2023. De rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, stelde vast dat de minister al ruim voor het einde van de normale beslistermijn had moeten beslissen, maar dat naliet.
Centraal in de zaak staat de vraag welke regels van toepassing zijn op de beslistermijn. De rechtbank oordeelde dat het zogenaamde WBV 2023/3 — een besluit dat de beslistermijnen voor asielaanvragen uitbreidde — onrechtmatig is. Die conclusie vloeide voort uit een arrest van het Europees Hof van Justitie van 8 mei 2025. Dit betekent dat de minister in beginsel binnen zes maanden een beslissing had moeten nemen.
Tussentijds stelde de minister in december 2024 een Besluit- en Vertrekmoratorium (BVM) in voor asielzoekers uit Syrië. Dit moratorium — dat gold van 14 december 2024 tot en met 13 juni 2025 — hield in dat er tijdelijk geen besluiten werden genomen over Syrische asielaanvragen, vanwege de onzekere situatie in dat land.
De rechtbank moest bepalen wat het BVM betekent voor de lopende beslistermijn. De wet spreekt van 'verlengen', maar de rechtbank legde dit uit als 'opschorten': de klok staat stil zolang het moratorium geldt, en loopt daarna gewoon verder. Dat is in lijn met de Europese Procedurerichtlijn, die het heeft over het 'uitstellen' van de procedure in individuele gevallen bij onzekerheid over het land van herkomst. De Engelse tekst van die richtlijn gebruikt zelfs het woord 'postpone'. Ook het doel van het BVM — beslissen is simpelweg niet mogelijk zolang de situatie onduidelijk is — pleit voor deze uitleg.
Door het BVM als opschorting te beschouwen, concludeerde de rechtbank dat de minister uiterlijk op 14 juni 2025 een besluit had moeten nemen op de asielaanvraag. Dat is de dag nadat het moratorium afliep. De asielzoeker stelde de minister na die datum in gebreke en vroeg hem binnen twee weken alsnog te beslissen. Dat deed de minister niet, waarop beroep werd ingesteld.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en droeg de minister op binnen acht weken alsnog een besluit te nemen op de asielaanvraag. Omdat de maximale beslistermijn van 21 maanden inmiddels ruimschoots is overschreden, vond de rechtbank een kortere termijn dan gebruikelijk op zijn plaats. Als de minister die termijn niet haalt, moet hij een dwangsom betalen van honderd euro per dag, met een maximum van vijftienduizend euro. Daarnaast werd de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de asielzoeker, vastgesteld op 467 euro.
Betrokken advocaten
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RBDHA:2026:400, Rechtbank Den Haag, 12-01-2026, NL25.56094
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:420, Rechtbank Den Haag, 12-01-2026, NL25.61912
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:88, Rechtbank Den Haag, 06-01-2026, NL25.56095
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2025:24936, Rechtbank Den Haag, 23-12-2025, NL25.59803
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Gegevens
Datum uitspraak
27 maart 2026
Instantie
Rechtbank Den HaagRechtsgebied
Bestuursrecht; VreemdelingenrechtZaaknummer
NL26.8145
Procedure
Vereenvoudigde behandeling
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:6830