Rechter verplicht minister tot besluit over Syrische asielaanvraag binnen acht weken — RBDHA:2026:6831
asielrecht / niet tijdig beslissen / besluit- en vertrekmoratorium Syrië
Eiser / verzoeker
Syrische asielzoeker (naam geanonimiseerd)
Verweerder / gedaagde
Minister van Asiel en Migratie
Beroep gegrond verklaard: minister moet binnen acht weken beslissen op de asielaanvraag, op straffe van een dwangsom van €100 per dag (max. €15.000), en moet €467 aan proceskosten vergoeden.
- De rechtbank kwalificeert het Besluit- en Vertrekmoratorium voor Syriërs als opschorting (niet verlenging) van de beslistermijn, gebaseerd op de Europese Procedurerichtlijn.
- De opschorting geldt ook voor aanvragen waarvan de beslistermijn al vóór het BVM was verstreken; de minister had uiterlijk 14 juni 2025 moeten beslissen.
- Omdat de wettelijke maximumtermijn van 21 maanden is overschreden, legt de rechtbank een verkorte nieuwe beslistermijn van acht weken op.
- Bij overschrijding van die termijn is de minister een dwangsom verschuldigd van €100 per dag met een maximum van €15.000.
Samenvatting
Een asielzoeker uit Syrië wacht al meer dan een jaar op een beslissing op zijn asielaanvraag, ingediend op 15 april 2024. De minister van Asiel en Migratie had in principe binnen zes maanden moeten beslissen, maar deed dat niet. Vervolgens stelde de minister in december 2024 een zogeheten Besluit- en Vertrekmoratorium (BVM) in voor Syriërs, waardoor de beslistermijn tijdelijk werd opgeschort. Dat moratorium liep tot en met 13 juni 2025. Daarna bleef een beslissing echter nog steeds uit, wat leidde tot dit rechtbankgeschil.
De rechtbank in Groningen buigt zich over de vraag wat het BVM juridisch betekent voor de beslistermijn. De wet spreekt van 'verlenging' van de termijn, maar de rechtbank oordeelt dat het hier in werkelijkheid gaat om een opschorting: de klok staat stil zolang het moratorium geldt, en loopt daarna gewoon verder. De rechtbank baseert dit op de Europese Procedurerichtlijn, die het begrip 'postpone' gebruikt, en op het doel van een BVM — namelijk dat er tijdelijk simpelweg niet verantwoord beslist kán worden vanwege de onzekere situatie in het herkomstland.
Die uitleg heeft concrete gevolgen voor de asielzoeker. Zijn beslistermijn was al verlopen vóór het BVM inging, maar door de opschorting had de minister uiterlijk op 14 juni 2025 een besluit moeten nemen. Dat is niet gebeurd. De asielzoeker stelde de minister in gebreke en vroeg om alsnog binnen twee weken te beslissen. Toen ook dat uitbleef, stapte hij naar de rechter.
De rechtbank verklaart het beroep gegrond. Omdat de maximale wettelijke beslistermijn van 21 maanden inmiddels ruimschoots is overschreden, vindt de rechtbank een korte nieuwe termijn op zijn plaats. De minister krijgt acht weken om alsnog een besluit te nemen op de asielaanvraag. Doet hij dat niet, dan loopt er een dwangsom op van €100 per dag, met een maximum van €15.000. Daarnaast moet de minister de proceskosten van de asielzoeker vergoeden, vastgesteld op €467.
Betrokken advocaten
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RBDHA:2026:1945, Rechtbank Den Haag, 05-02-2026, NL25.61842
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:1650, Rechtbank Den Haag, 02-02-2026, NL25.61105
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:1643, Rechtbank Den Haag, 02-02-2026, NL25.60315
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:1393, Rechtbank Den Haag, 28-01-2026, NL25.51664
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Gegevens
Datum uitspraak
27 maart 2026
Instantie
Rechtbank Den HaagRechtsgebied
Bestuursrecht; VreemdelingenrechtZaaknummer
NL26.8308
Procedure
Vereenvoudigde behandeling
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:6831