Rechter dwingt minister tot besluit op Syrische asielaanvraag — RBDHA:2026:6834
Asielrecht / niet tijdig beslissen / Besluit- en Vertrekmoratorium Syrië
Eiser / verzoeker
Syrische asielzoeker (naam geanonimiseerd)
Verweerder / gedaagde
Minister van Asiel en Migratie
Beroep gegrond verklaard; minister moet binnen zestien weken beslissen op de asielaanvraag, op straffe van een dwangsom van €100 per dag met een maximum van €15.000.
- Het Besluit- en Vertrekmoratorium (BVM) voor Syriërs schort de beslistermijn op in plaats van te verlengen, waardoor de zes maanden reguliere beslistermijn pas na het moratorium verder loopt.
- De opschorting werkt ook voor aanvragen waarvan de beslistermijn al was verstreken vóór het BVM van kracht werd.
- De totale beslistermijn voor deze aanvraag liep tot 23 september 2025; de minister heeft na ingebrekestelling niet beslist, waardoor het beroep ontvankelijk en gegrond is.
- De rechter legt een beslistermijn van zestien weken op conform het '8+8 wekenmodel' van de Afdeling bestuursrechtspraak.
- Bij overschrijding van de termijn verbeurt de minister een dwangsom van €100 per dag, tot een maximum van €15.000.
Samenvatting
Een asielzoeker uit Syrië wachtte al meer dan een jaar op een beslissing op zijn aanvraag, ingediend op 23 september 2024. Toen de minister van Asiel en Migratie bleef zwijgen, stapte de man naar de rechtbank Den Haag met een beroep wegens niet tijdig beslissen.
De zaak draait om de vraag hoe lang de minister mag wachten voordat hij een besluit neemt. Normaal geldt een beslistermijn van zes maanden. In december 2024 stelde de minister echter een zogeheten Besluit- en Vertrekmoratorium (BVM) in voor Syriërs. Dat moratorium, dat liep van 14 december 2024 tot en met 13 juni 2025, werd ingevoerd omdat de situatie in Syrië na de val van het Assad-regime te onzeker was om weloverwogen beslissingen te nemen.
De rechtbank moest beoordelen of dit moratorium de beslistermijn verlengde of slechts opschortte — een juridisch onderscheid met grote gevolgen. Bij verlenging zou de klok zijn blijven tikken; bij opschorting zou de termijn pas na het moratorium verder lopen. De rechtbank oordeelde dat het moratorium de beslistermijn opschort, niet verlengt. Daarvoor keek de rechter naar de Europese Procedurerichtlijn, die in de Engelse tekst spreekt van 'postpone'. Ook het doel van het moratorium — beslissen is tijdelijk onmogelijk, niet slechts moeilijker — pleit voor opschorting.
Dit betekent dat de reguliere beslistermijn van zes maanden pas begon te lopen nadat het moratorium afliep. Gecombineerd met de zes maanden moratoriumperiode eindigde de totale beslistermijn voor deze asielzoeker op 23 september 2025. De minister had op die datum een beslissing moeten nemen, maar deed dat niet — ook niet nadat de man hem formeel in gebreke had gesteld en twee weken de tijd had gegeven.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en droeg de minister op alsnog binnen zestien weken een besluit te nemen. Doet de minister dat niet op tijd, dan moet hij een dwangsom betalen van honderd euro per dag, met een maximum van vijftienduizend euro. Ook moet de minister de proceskosten van de asielzoeker vergoeden: 467 euro.
Betrokken advocaten
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RBDHA:2026:1963, Rechtbank Den Haag, 05-02-2026, NL25.60237
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:1574, Rechtbank Den Haag, 30-01-2026, NL25.48632
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:1572, Rechtbank Den Haag, 30-01-2026, NL25.48631
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:716, Rechtbank Den Haag, 15-01-2026, NL25.36944
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Gegevens
Datum uitspraak
27 maart 2026
Instantie
Rechtbank Den HaagRechtsgebied
Bestuursrecht; VreemdelingenrechtZaaknummer
NL26.8358
Procedure
Vereenvoudigde behandeling
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:6834