Rechter dwingt minister tot besluit Syrische asielaanvraag na BVM-opschorting — RBDHA:2026:6867
Niet tijdig beslissen op asielaanvraag / werking Besluit- en Vertrekmoratorium Syrië
Eiser / verzoeker
Syrische asielzoeker (naam geanonimiseerd)
Verweerder / gedaagde
Minister van Asiel en Migratie
Beroep wegens niet tijdig beslissen gegrond verklaard; minister moet binnen zestien weken beslissen op de asielaanvraag, op straffe van een dwangsom van €100 per dag met een maximum van €15.000.
- De rechtbank interpreteert het Besluit- en Vertrekmoratorium (BVM) voor Syriërs als opschorting — niet verlenging — van de beslistermijn, gebaseerd op de Europese Procedurerichtlijn.
- De opschorting door het BVM geldt ook voor aanvragen waarvan de reguliere beslistermijn al was verstreken op het moment dat het BVM van kracht werd.
- Reguliere beslistermijn (6 maanden) plus BVM-opschorting (6 maanden) leidt tot een einddatum van 26 september 2025; daarna was de minister in verzuim.
- De minister krijgt zestien weken om alsnog te beslissen, conform het 8+8 wekenmodel van de Raad van State.
- Bij overschrijding van de nieuwe termijn geldt een dwangsom van €100 per dag met een maximum van €15.000.
Samenvatting
Een Syrische asielzoeker stapte naar de rechter omdat de minister van Asiel en Migratie niet op tijd had beslist op zijn asielaanvraag, die hij op 26 september 2024 indiende. De zaak draait om de vraag hoe het zogenoemde Besluit- en Vertrekmoratorium (BVM) dat de minister in december 2024 instelde voor Syriërs, doorwerkt op de wettelijke beslistermijn.
Normaal gesproken moet de minister binnen zes maanden na ontvangst van een asielaanvraag een beslissing nemen. Op 11 december 2024 stelde de minister echter een BVM in voor vreemdelingen uit Syrië, dat van kracht was van 14 december 2024 tot en met 13 juni 2025 — dus zes maanden. De minister beriep zich op een wettelijke bepaling die hem de mogelijkheid geeft de beslistermijn te verlengen tot maximaal 21 maanden als er kortstondig onzekerheid bestaat over de situatie in het land van herkomst.
De rechtbank in Groningen heeft een belangwekkende interpretatie gegeven van dat BVM. Waar de wet en het besluit zelf spreken van 'verlengen' van de beslistermijn, leest de rechtbank dit als 'opschorten'. Dat onderscheid is cruciaal: bij opschorting wordt de lopende termijn tijdelijk stilgezet en gaat daarna gewoon verder, terwijl verlenging een andere berekening oplevert. De rechtbank baseert zich daarvoor op de Europese Procedurerichtlijn, die in de Engelse versie het woord 'postpone' gebruikt, en op het doel van een BVM: zolang de situatie in het land van herkomst te onzeker is om een zorgvuldig besluit te nemen, wordt de termijn gepauzeerd. Zodra die onzekerheid wegvalt, loopt de termijn weer.
Dit betekent dat de beslistermijn voor de asielzoeker in totaal twaalf maanden bedroeg: zes maanden reguliere termijn plus zes maanden opschorting door het BVM. Beide termijnen bij elkaar opgeteld eindigde de beslistermijn op 26 september 2025. De asielzoeker stelde de minister vervolgens in gebreke en gaf hem twee weken om alsnog te beslissen. Toen dat uitbleef, trok hij naar de rechter. De rechtbank verklaart het beroep ontvankelijk en gegrond.
De rechter draagt de minister op om binnen zestien weken na bekendmaking van de uitspraak alsnog een besluit te nemen op de asielaanvraag. Die termijn is gebaseerd op het zogeheten '8+8 wekenmodel' dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State hanteert bij dit soort zaken. Komt de minister die termijn niet na, dan verbeurt hij een dwangsom van honderd euro per dag, met een maximum van vijftienduizend euro. Daarnaast moet de minister de proceskosten van de asielzoeker vergoeden, vastgesteld op 467 euro.
Betrokken advocaten
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RBDHA:2026:1763, Rechtbank Den Haag, 29-01-2026, NL25.35573 en NL25.35574
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:1369, Rechtbank Den Haag, 28-01-2026, NL25.61623
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Rechtbank gebiedt minister alsnog besluit asielaanvraag
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:849, Rechtbank Den Haag, 21-01-2026, NL25.48670
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Gegevens
Datum uitspraak
27 maart 2026
Instantie
Rechtbank Den HaagRechtsgebied
Bestuursrecht; VreemdelingenrechtZaaknummer
NL26.9041
Procedure
Vereenvoudigde behandeling
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:6867