Rechter dwingt minister tot besluit over asielaanvraag met dwangsom — RBDHA:2026:6868
asielrecht / niet tijdig beslissen op asielaanvraag
Eiser / verzoeker
Asielzoekster (naam geanonimiseerd)
Verweerder / gedaagde
Minister van Asiel en Migratie
Beroep gegrond verklaard; minister opgedragen uiterlijk 12 juni 2026 te beslissen op de asielaanvraag, op straffe van een dwangsom van €100 per dag met een maximum van €15.000.
- Beslistermijn op asielaanvraag van 17 juli 2024 is verstreken; minister heeft ook na aanmaning niet beslist
- Standaard '8+8 wekenmodel' zou de wettelijke bovengrens van 21 maanden overschrijden, daarom geldt een kortere termijn tot 12 juni 2026
- Rechterlijke dwangsom opgelegd van €100 per dag bij overschrijding, maximaal €15.000
- Minister veroordeeld tot vergoeding van proceskosten ad €467
Samenvatting
Een vrouw die op 17 juli 2024 een asielaanvraag indiende, wacht al meer dan anderhalf jaar op een beslissing van de minister van Asiel en Migratie. De wettelijke beslistermijn is allang verstreken, en ook nadat ze de minister formeel aanmaande om binnen twee weken te beslissen, bleef een besluit uit. Daarop stapte ze naar de rechter.
De rechtbank Den Haag, zittend in Groningen, stelde vast dat de minister inderdaad in gebreke is gebleven. Het beroep van de vrouw is ontvankelijk en kennelijk gegrond: de minister heeft simpelweg niet op tijd gehandeld, terwijl hij dat wel had moeten doen.
Bij het bepalen van een nieuwe, door de rechter opgelegde beslistermijn speelt het zogeheten '8+8 wekenmodel' een rol — een door de hoogste bestuursrechter, de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, ontwikkelde systematiek. Normaal gesproken krijgt de minister op basis van dat model een nieuwe termijn van twee keer acht weken. Maar de rechtbank oordeelt dat in dit geval die standaardtermijn zou leiden tot een totale wachttijd van meer dan 21 maanden, wat de wettelijke bovengrens overschrijdt. Daarom legt de rechtbank een kortere termijn op: de minister moet uiterlijk acht weken na het verstrijken van de 21-maandengrens een besluit nemen, wat neerkomt op 12 juni 2026.
Om naleving af te dwingen, verbindt de rechtbank aan die deadline een dwangsom. Voor elke dag dat de minister de termijn overschrijdt, moet hij honderd euro betalen aan de vrouw, met een maximum van vijftienduizend euro. Daarnaast moet de minister de proceskosten van de vrouw vergoeden, vastgesteld op 467 euro.
De rechtbank benadrukt dat de opgelegde termijn realistisch is: niet onnodig lang, maar ook niet zo kort dat een zorgvuldige beslissing onmogelijk wordt. De minister heeft tot 12 juni 2026 de tijd — en doet hij er niets mee, dan loopt de dwangsom op.
Betrokken advocaten
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RBDHA:2026:427, Rechtbank Den Haag, 13-01-2026, NL25.31484
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:362, Rechtbank Den Haag, 12-01-2026, NL25.35965
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:296, Rechtbank Den Haag, 09-01-2026, NL25.35916
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:302, Rechtbank Den Haag, 09-01-2026, NL25.35924
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Gegevens
Datum uitspraak
27 maart 2026
Instantie
Rechtbank Den HaagRechtsgebied
Bestuursrecht; VreemdelingenrechtZaaknummer
NL26.11463
Procedure
Vereenvoudigde behandeling
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:6868