Iraakse Jezidi's krijgen geen verblijfsvergunning voor gezinshereniging met broer — RBDHA:2026:6873
mvv-aanvraag gezinshereniging / bijkomende elementen van afhankelijkheid meerderjarige familieleden
Eiser / verzoeker
Iraaks echtpaar van Jezidi-afkomst (broer en zus)
Verweerder / gedaagde
Minister van Asiel en Migratie
Het beroep is gegrond en het bestreden besluit wordt vernietigd wegens een motiveringsgebrek, maar de rechtsgevolgen blijven in stand, zodat de afwijzing van de mvv-aanvragen voor gezinshereniging gehandhaafd blijft.
- De minister had in het bestreden besluit onvoldoende rekening gehouden met de individuele omstandigheden van eisers als Jezidi's, wat een motiveringsgebrek opleverde.
- Na herstel van het motiveringsgebrek oordeelde de rechtbank dat eisers nog voldoende banden hebben met Irak, ondanks discriminatie en moeilijke omstandigheden.
- Geen bijkomende financiële afhankelijkheid aangetoond: geldleningen niet onderbouwd, eisers ontvingen ook steun van derden.
- Schrijnende emotionele ervaringen (verlies moeder, broer, vlucht voor IS) leveren geen juridisch relevante 'meer dan gebruikelijke afhankelijkheid' op conform het arrest Kumari van het Hof van Justitie.
- Beroep gegrond wegens motiveringsgebrek, maar rechtsgevolgen in stand gelaten zodat de afwijzing van de mvv-aanvragen gehandhaafd blijft.
Samenvatting
Een Iraaks stel van Jezidi-afkomst probeerde via een machtiging voor voorlopig verblijf naar Nederland te komen om bij hun broer te wonen. De aanvraag, ingediend in maart 2023, was bedoeld als gezinshereniging. De minister van Asiel en Migratie wees de aanvraag echter af, zowel in de eerste beslissing als na bezwaar.
Eisers zijn Jezidi's uit Irak en hebben een zwaar leven gehad. Ze verloren hun moeder, zorgden samen voor een zieke jongere broer die later overleed, werden geconfronteerd met de komst van IS en moesten vluchten voor de genocide op hun gemeenschap. Hun vader vertrok op een gegeven moment ook. De eisers stelden dat zij door al deze omstandigheden emotioneel, financieel en praktisch sterk afhankelijk zijn van hun broer die inmiddels in Nederland woont.
De rechtbank constateerde in een eerdere tussenuitspraak dat het besluit van de minister een motiveringsgebrek bevatte. De minister had onvoldoende rekening gehouden met de individuele omstandigheden van de eisers, met name bij de beoordeling of er sprake was van bijzondere afhankelijkheid die verder gaat dan de normale band tussen broers en zussen. De minister kreeg de kans dit gebrek te herstellen, maar reageerde aanvankelijk niet tijdig. Na een tweede kans leverde de minister een aanvullende motivering aan.
De rechtbank beoordeelde vervolgens of die aanvullende motivering het gebrek herstelde. Voor gezinshereniging van meerderjarigen met een familielid gelden strenge eisen: er moet sprake zijn van meer dan de gebruikelijke familieband, zogenoemde 'bijkomende elementen van afhankelijkheid'. De rechtbank stelde vast dat de minister dit nu wél voldoende had onderbouwd.
Over de band met Irak oordeelde de rechtbank dat eisers nog steeds voldoende wortels hebben in hun land van herkomst. Ze hebben er hun hele leven gewoond, spreken de taal, kennen de cultuur en hebben er nog familieleden. Dat het leven er moeilijk is voor Jezidi's, erkende de rechtbank, maar dat maakt de banden met Irak niet verwaarloosbaar.
De financiële afhankelijkheid van de broer werd niet bewezen geacht: eisers ontvingen ook steun van een oom en buurtgenoten, en de gestelde geldleningen van de broer waren niet met documenten onderbouwd. De emotionele impact van gezamenlijk verlies — moeder, zieke broer, vlucht voor IS — erkende de rechtbank als schrijnend, maar dat levert volgens het Europese Hof van Justitie (arrest Kumari) nog geen bijzondere juridische afhankelijkheid op. Familie die elkaar steunt tijdens rouw is immers normaal. Verder had de broer tijdens zijn verblijf in Irak grote delen van het jaar elders gewerkt en woonde hij dus feitelijk niet voortdurend bij zijn broer en zus. Van een echte ouderrol was geen sprake.
Alhoewel de rechtbank het beroep gegrond verklaarde vanwege het eerder geconstateerde motiveringsgebrek in het bestreden besluit, verbond zij daaraan geen nieuwe kans voor eisers: de rechtbank liet de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand. Dat betekent dat de afwijzing van de mvv-aanvragen overeind blijft en de eisers geen verblijfsvergunning krijgen.
Betrokken advocaten
mr. H.R. Nobel
verweerder
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RBDHA:2026:1587, Rechtbank Den Haag, 30-01-2026, NL25.59617
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:1585, Rechtbank Den Haag, 30-01-2026, NL25.59407
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:1497, Rechtbank Den Haag, 29-01-2026, NL25.27382
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:1115, Rechtbank Den Haag, 26-01-2026, NL25.62303
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Gegevens
Datum uitspraak
27 maart 2026
Instantie
Rechtbank Den HaagRechtsgebied
Bestuursrecht; VreemdelingenrechtZaaknummer
NL25.31033
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:6873