Juristi.nl
ECLI:NL:RBDHA:2026:6877Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht

Inreisverbod Somalische man blijft ondanks motiveringsgebrek in stand — RBDHA:2026:6877

vreemdelingenrecht / opheffing inreisverbod / artikel 8 EVRM

Eiser / verzoeker

Somalische man (naam geanonimiseerd)

VS

Verweerder / gedaagde

Minister van Asiel en Migratie

Beroep gegrond verklaard wegens motiveringsgebrek, maar rechtsgevolgen blijven in stand: het inreisverbod blijft van kracht; minister betaalt proceskosten van €1.868.

  • Bestreden besluit vernietigd wegens motiveringsgebrek: minister had bij opheffingsverzoek zelf een belangenafweging moeten maken in plaats van enkel te verwijzen naar eerder afgewezen verblijfsaanvraag
  • Rechtsgevolgen blijven in stand omdat de minister tijdens zitting en in verweerschrift het privélevenbelang alsnog afdoende heeft afgewogen tegen aanhoudend crimineel gedrag van eiser
  • Inreisverbod uit 2013 is rechtmatig: minister heeft alsnog getoetst aan het Unierechtelijke openbare-ordecriterium en terecht geconcludeerd dat eiser destijds een actuele, werkelijke en ernstige bedreiging vormde
  • Eiser vormt ook nu nog een actueel gevaar voor de openbare orde: ISD-maatregel opgelegd in 2023, gewelddelicten in detentie en onvoldoende bewijs van positieve gedragsverandering
  • Beroep op evenredigheidsbeginsel verworpen: onbevestigde nationaliteit maakt terugkeer naar Somalië niet aantoonbaar onmogelijk

Samenvatting

Een Somalische man die al 31 jaar in Nederland verblijft, probeerde via de rechter zijn inreisverbod opgeheven te krijgen. Dat verbod was hem in 2013 opgelegd vanwege herhaaldelijk crimineel gedrag. De rechtbank Den Haag oordeelde dat de minister het verzoek om opheffing weliswaar onvoldoende had gemotiveerd, maar dat het inreisverbod inhoudelijk toch terecht in stand blijft.

De man is op jonge leeftijd naar Nederland gekomen en heeft hier vijftien jaar een verblijfsvergunning gehad. Hij spreekt Nederlands en zijn broer woont in Nederland. Op basis hiervan deed hij een beroep op zijn recht op privéleven zoals beschermd door artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). De minister had in het bestreden besluit echter niet zelf een belangenafweging gemaakt, maar enkel verwezen naar een eerder afgewezen verblijfsaanvraag. Dat vond de rechtbank onvoldoende.

Toch redde de man het niet, want de rechtbank beoordeelde daarna of de inhoudelijke uitkomst alsnog kon worden gehandhaafd. De minister had tijdens de zitting en in het verweerschrift uitvoerig toegelicht hoe de belangenafweging was gemaakt. De conclusie: de band die de man met Nederland heeft opgebouwd, weegt niet op tegen zijn aanhoudend crimineel gedrag. Hij heeft door dat gedrag ernstig afbreuk gedaan aan zijn sociale en culturele binding met Nederland. Nieuwe feiten die tot een ander oordeel hadden moeten leiden, bracht hij niet aan.

Ook de geldigheid van het inreisverbod uit 2013 stond ter discussie. De man stelde dat dit verbod destijds niet deugdelijk was gemotiveerd, omdat de minister niet had uitgelegd dat hij een 'actuele, werkelijke en ernstige bedreiging' vormde — een criterium dat pas later door het Europese Hof van Justitie werd geformuleerd. De rechtbank verwierp dit argument: het Europese arrest waarop de man zich beriep, bestond in 2013 nog niet. Bovendien had de minister in het bestreden besluit alsnog aan dat criterium getoetst en terecht geconcludeerd dat de man destijds inderdaad zo'n bedreiging vormde, gelet op zijn veroordelingen in 2010, 2011 en 2013.

De rechtbank stelde verder vast dat de man ook nu nog een actueel gevaar voor de openbare orde vormt. Hij heeft onvoldoende aangetoond dat er sprake is van een positieve gedragsverandering. In 2023 kreeg hij de ISD-maatregel opgelegd — een plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders — voor de duur van twee jaar. Daarnaast vonden in detentie gewelddelicten plaats en hield hij langdurig hulpverlening op afstand. Het bagatelliseren van zijn veroordelingen door te wijzen op vrijspraken en sepots overtuigde de rechter niet.

Tot slot beriep de man zich op het evenredigheidsbeginsel: het zou buitenproportioneel zijn hem de toegang tot de EU te ontzeggen als hij nergens naartoe kan. De Somalische ambassade zou zijn nationaliteit niet hebben bevestigd. De rechtbank ging hier niet in mee. Het inreisverbod is door het nog niet uitgevoerde terugkeerbesluit zelfs nog niet eens in werking getreden. Dat zijn nationaliteit mogelijk niet bevestigd kan worden, betekent niet dat terugkeer naar Somalië geheel onmogelijk is.

De rechtbank verklaarde het beroep gegrond vanwege het motiveringsgebrek en vernietigde het bestreden besluit, maar bepaalde tegelijk dat de rechtsgevolgen — het inreisverbod blijft van kracht — in stand blijven. Het verzoek om een voorlopige voorziening, waarmee de man uitzetting wilde voorkomen in afwachting van de uitspraak, werd afgewezen omdat het beroep al was afgedaan. De minister moet wel de proceskosten van de man vergoeden, vastgesteld op €1.868.

Betrokken advocaten

mr. E. Ebes

eiser

Advocatenkantoor Nieuwe Ebbingestraat, GRONINGEN

mr. J.D. Albarda

verweerder

Betrokken rechters

Gerelateerde uitspraken

Gegevens

Datum uitspraak

27 maart 2026

Zaaknummer

NL25.20985 en NL25.20988

Procedure

Eerste aanleg - enkelvoudig

ECLI

ECLI:NL:RBDHA:2026:6877

Bekijk op rechtspraak.nl

Recente uitspraken

Rechter wijst spoedmaatregel asielzoeker af na Dublin-overdracht
Rechtbank Den Haag·2 apr 2026
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Nigeriaanse man verliest beroep tegen terugkeerbesluit
Rechtbank Den Haag·2 apr 2026
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Rechter wijst voorlopige voorziening Jordaanse asielzoeker af
Rechtbank Den Haag·2 apr 2026
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Jordaanse man verliest beroep tegen afwijzing tweede asielaanvraag
Rechtbank Den Haag·2 apr 2026
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Rechter vernietigt afwijzing asielaanvraag Somalische man die nooit in Somalië woonde
Rechtbank Den Haag·2 apr 2026
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht