Verblijfsvergunning Somalische man ingetrokken wegens gevaar openbare orde — RBDHA:2026:6881
Intrekking verblijfsvergunning asiel wegens openbare-ordegevaar / terugkeerbesluit
Eiser / verzoeker
Somalische man (v-nummer niet openbaar)
Verweerder / gedaagde
Minister van Asiel en Migratie
Het beroep van eiser is ongegrond verklaard; de intrekking van de verblijfsvergunning, het terugkeerbesluit zonder vertrektermijn, het tienjarig inreisverbod en de SIS-signalering blijven in stand.
- Beroep ontvankelijk omdat niet kon worden aangetoond dat PostNL het besluit op regelmatige wijze had aangeboden; trackinggegevens ontbraken in het dossier.
- Intrekking verblijfsvergunning op grond van glijdende schaal (artikel 3.86 lid 5 Vb 2000) wegens openbare-ordegevaar niet betwist door eiser; bevoegdheid minister staat vast.
- Intrekking is evenredig: maatschappelijk belang bij beëindiging verblijf weegt zwaarder dan privébelangen van eiser, geen strijd met artikel 8 EVRM.
- Niet aannemelijk dat eiser bij terugkeer naar Somalië reëel risico op ernstige schade loopt in de zin van artikel 3 EVRM.
- Zwaar inreisverbod van tien jaar en SIS-signalering rechtmatig opgelegd; vertrektermijn mocht worden onthouden.
Samenvatting
Een Somalische man die al jaren in Nederland woont, verliest zijn verblijfsvergunning omdat hij een gevaar vormt voor de openbare orde. De rechtbank in Den Haag oordeelde dat de minister van Asiel en Migratie bevoegd was de verblijfsvergunning in te trekken en dat deze beslissing ook stand houdt.
De man, geboren in 1998, kreeg in 2013 een verblijfsvergunning asiel in het kader van nareis. Na het verlopen van zijn eerste vergunning vroeg hij te laat verlenging aan, waardoor hij tijdelijk geen rechtmatig verblijf had. Hij kreeg wel een nieuwe vergunning, die later opnieuw werd verlengd tot 2028. Toch besloot de minister in augustus 2024 de verblijfsvergunning met terugwerkende kracht in te trekken vanwege strafbare feiten die de man had gepleegd. Op basis van de zogeheten glijdende schaal — een wettelijke maatstaf die de ernst van misdrijven afweegt tegen de duur van verblijf — concludeerde de minister dat de man een werkelijke en ernstige bedreiging vormt voor de samenleving.
Voordat de rechtbank inhoudelijk kon oordelen, moest zij eerst vaststellen of het beroep van de man überhaupt ontvankelijk was. Het besluit was in augustus 2024 per aangetekende post verstuurd, maar de man stelde pas in oktober 2024 via een e-mail van de Dienst Terugkeer en Vertrek van het besluit te hebben geweten. De minister betoogde dat de man te laat beroep had ingesteld. De rechtbank ging daar niet in mee: omdat uit het dossier niet kon worden afgeleid dat PostNL het besluit daadwerkelijk op regelmatige wijze had aangeboden — trackinggegevens waren niet meer beschikbaar en er waren geen andere bewijzen — kon niet worden aangenomen dat het besluit eerder dan op 8 oktober 2024 bekend was gemaakt. Het beroep was daarmee tijdig ingesteld.
Inhoudelijk beoordeelde de rechtbank drie centrale vragen: is de intrekking evenredig, schendt zij het recht op privé- en gezinsleven (artikel 8 EVRM), en loopt de man bij terugkeer naar Somalië een reëel risico op ernstige schade?
Over de evenredigheid oordeelde de rechtbank dat de ernst van de gepleegde misdrijven en het gevaar dat de man voor de samenleving vormt, zwaarder wegen dan zijn persoonlijke belangen bij voortgezet verblijf. Ten aanzien van artikel 8 EVRM stelde de rechtbank vast dat weliswaar sprake is van aantasting van het privéleven, maar dat het maatschappelijk belang bij beëindiging van het verblijf in dit geval prevaleert. Dat de man mogelijk een vriendin heeft in Nederland, verandert die afweging niet, mede omdat de minister niet heeft kunnen vaststellen dat sprake is van beschermenswaardig familie- of gezinsleven.
Over de veiligheidssituatie in Somalië oordeelde de rechtbank dat niet aannemelijk is geworden dat de man bij terugkeer een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM. De rechtbank concludeerde daarmee dat alle onderdelen van het besluit standhouden. De man krijgt geen vertrektermijn — wat de minister in dergelijke gevallen mag weigeren — en hem is een zwaar inreisverbod van tien jaar opgelegd. Daarnaast is hij gesignaleerd in het Schengeninformatiesysteem. De rechtbank verklaarde het beroep van de man ongegrond, waarmee de intrekking van zijn verblijfsvergunning, het terugkeerbesluit, het inreisverbod van tien jaar en de SIS-signalering allemaal in stand blijven.
Betrokken advocaten
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RVS:2026:554, Raad van State, 02-02-2026, 202502269/1/V3
Raad van State · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:1455, Rechtbank Den Haag, 29-01-2026, NL24.30755
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:GHARL:2026:313, Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 20-01-2026, 200.310.152
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · Civiel Recht
ECLI:NL:RBDHA:2026:1223, Rechtbank Den Haag, 06-01-2026, NL25.54927
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Gegevens
Datum uitspraak
27 maart 2026
Instantie
Rechtbank Den HaagRechtsgebied
Bestuursrecht; VreemdelingenrechtZaaknummer
NL24.39266
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:6881