Rechtbank handhaaft bewaring Algerijnse jongere in afwachting uitzetting — RBDHA:2026:7104
vreemdelingenbewaring / voortduring maatregel / zicht op uitzetting
Eiser / verzoeker
Algerijnse jongeman (V-nummer geanonimiseerd)
Verweerder / gedaagde
Minister van Asiel en Migratie
Beroep tegen voortduring vreemdelingenbewaring ongegrond verklaard en verzoek om schadevergoeding afgewezen.
- De minister heeft voldoende uitzettingsinspanningen verricht door meerdere rappels bij de Algerijnse autoriteiten en het voeren van vertrekgesprekken.
- Geen actualisering van de non-refoulementtoets vereist bij gebrek aan nieuwe feiten of gewijzigde omstandigheden.
- Volgens vaste rechtspraak bestaat er in het algemeen concreet zicht op uitzetting naar Algerije; dit geval geeft geen reden voor een andere conclusie.
- De rechtbank beoordeelt uitsluitend de periode na de eerdere rechtmatigheidstoets van 6 januari 2026.
Samenvatting
Een jongeman die stelt de Algerijnse nationaliteit te hebben en geboren te zijn in 2007, zit al sinds december 2025 in vreemdelingenbewaring. De minister van Asiel en Migratie heeft hem op grond van de Vreemdelingenwet in bewaring gesteld met het oog op uitzetting naar Algerije. De man heeft beroep ingesteld tegen het voortduren van die bewaring en gevraagd om schadevergoeding.
De man voerde aan dat de minister onvoldoende inzicht gaf in de voortgang van de uitzettingsinspanningen. Bovendien betoogde hij dat na vier maanden bewaring een zorgvuldige belangenafweging had moeten plaatsvinden, waarbij ook het non-refoulementbeginsel — het verbod om iemand terug te sturen naar een land waar hij gevaar loopt — actueel getoetst had moeten worden. Tot slot stelde hij dat er geen concreet zicht bestaat op daadwerkelijke uitzetting naar Algerije.
De rechtbank verwierp al deze argumenten. Uit een voortgangsrapportage van 16 maart 2026 bleek dat de minister meerdere keren heeft gerappelleerd bij de Algerijnse autoriteiten om een laissez-passer te verkrijgen, voor het laatst op 12 maart 2026. Ook zijn er meerdere vertrekgesprekken gevoerd met de man, meest recent op 17 februari 2026. Van onvoldoende inspanning is dus geen sprake, aldus de rechtbank.
Wat betreft de actualisering van de non-refoulementtoets, stelde de rechtbank vast dat uit de vertrekgesprekken noch uit de beroepsgronden is gebleken van nieuwe feiten of gewijzigde omstandigheden die aanleiding zouden geven tot een hernieuwde beoordeling. En ten aanzien van het zicht op uitzetting verwees de rechtbank naar vaste rechtspraak: in het algemeen bestaat er wel degelijk zicht op uitzetting naar Algerije. De Algerijnse autoriteiten hebben bovendien niet aangegeven de identiteit en nationaliteit van de man niet te kunnen bevestigen. Dat het proces tijd kost, is inherent aan de werkwijze van de Algerijnse autoriteiten.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. De bewaring mag dus voortduren.
Betrokken advocaten
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RBDHA:2025:13104, Rechtbank Den Haag, 26-06-2025, NL25.26605
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2025:8753, Rechtbank Den Haag, 12-05-2025, NL25.12385
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2024:23095, Rechtbank Den Haag, 19-12-2024, NL24.48725
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2024:23103, Rechtbank Den Haag, 18-12-2024, NL24.48723
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Gegevens
Datum uitspraak
27 maart 2026
Instantie
Rechtbank Den HaagRechtsgebied
Bestuursrecht; VreemdelingenrechtZaaknummer
NL26.14119
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:7104