Rechter dwingt minister tot snel beslissen over te lang uitgestelde asielaanvraag — RBDHA:2026:7122
asielrecht / niet tijdig beslissen op asielaanvraag
Eiser / verzoeker
Asielzoeker (anoniem)
Verweerder / gedaagde
Minister van Asiel en Migratie
Beroep gegrond verklaard; minister moet binnen twee weken een besluit nemen op de asielaanvraag, op straffe van een dwangsom van €100 per dag met een maximum van €15.000, en moet €467 aan proceskosten vergoeden.
- De verlenging van de beslistermijn met negen maanden via WBV 2023/3 is onvoldoende gemotiveerd en mist daardoor een wettelijke grondslag; de beslistermijn blijft zes maanden.
- De maximumtermijn van 21 maanden uit de Europese Procedurerichtlijn (artikel 31, vijfde lid) is overschreden, wat als bijzondere omstandigheid geldt.
- De rechtbank legt een rechterlijke dwangsom op van €100 per dag (max. €15.000) als de minister niet binnen twee weken beslist.
- Proceskosten worden vastgesteld op €467, met wegingsfactor 0,5 vanwege het lichte gewicht van de zaak.
Samenvatting
Een asielzoeker heeft jaren moeten wachten op een beslissing op zijn asielaanvraag bij de minister van Asiel en Migratie. Omdat de minister niet op tijd besliste, stapte de asielzoeker naar de rechtbank in Den Haag, zittingsplaats Middelburg. De rechtbank oordeelde dat het beroep gegrond is en gelastte de minister alsnog snel een besluit te nemen.
Volgens de wet moet de minister binnen zes maanden na ontvangst van een asielaanvraag een beslissing nemen. De minister had geprobeerd die termijn met negen maanden te verlengen via een beleidswijziging (WBV 2023/3), maar de rechtbank accepteerde dat niet. Die verlenging is volgens de rechter onvoldoende gemotiveerd en mist daardoor een wettelijke grondslag. De geldende beslistermijn bleef daarmee zes maanden.
Bovendien geldt in dit geval een extra zware norm: de zogenoemde maximumtermijn van 21 maanden uit de Europese Procedurerichtlijn was al overschreden. Dat is een bijzondere omstandigheid die de rechtbank ertoe bracht de minister op te dragen zo snel mogelijk — maar uiterlijk binnen twee weken na verzending van de uitspraak — een besluit bekend te maken.
Om te zorgen dat de minister zich ook daadwerkelijk aan die deadline houdt, legde de rechtbank een dwangsom op. Voor elke dag dat de minister na het verstrijken van de twee weken nog geen besluit heeft genomen, verbeurt hij honderd euro, met een maximum van vijftienduizend euro. Zo'n rechterlijke dwangsom is een drukmiddel om trage besluitvorming te bestraffen.
De rechtbank kende de asielzoeker ook een vergoeding van proceskosten toe. Omdat de zaak relatief eenvoudig van aard is — het draait uitsluitend om de vraag of de beslistermijn is overschreden — werd een lagere wegingsfactor gehanteerd. De minister moet 467 euro aan proceskosten vergoeden.
Betrokken advocaten
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RVS:2024:1078, Raad van State, 15-03-2024, 202307605/1/V3
Raad van State · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RVS:2020:1499, Raad van State, 24-06-2020, 202000278/1/V2
Raad van State · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:CRVB:2018:2468, Centrale Raad van Beroep, 09-08-2018, 16/4591 AOW
Centrale Raad van Beroep · Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
ECLI:NL:CRVB:2018:2008, Centrale Raad van Beroep, 03-07-2018, 17-1730 PW
Centrale Raad van Beroep · Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Gegevens
Datum uitspraak
27 maart 2026
Instantie
Rechtbank Den HaagRechtsgebied
Bestuursrecht; VreemdelingenrechtZaaknummer
NL25.53204
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:7122