Rechter dwingt minister tot snel beslissen over asielaanvraag — RBDHA:2026:7126
asielrecht / niet tijdig beslissen op asielaanvraag
Eiser / verzoeker
asielzoeker (anoniem)
Verweerder / gedaagde
minister van Asiel en Migratie
Beroep gegrond verklaard; minister moet binnen twee weken beslissen op de asielaanvraag, op straffe van een dwangsom van €100 per dag met een maximum van €15.000, en moet €467 aan proceskosten vergoeden.
- De verlenging van de beslistermijn met negen maanden via WBV 2023/3 is onvoldoende gemotiveerd en mist daarmee rechtsgrond; de beslistermijn bedraagt zes maanden.
- De Europese maximumtermijn van 21 maanden (artikel 31 lid 5 Procedurerichtlijn) is overschreden, wat als bijzondere omstandigheid geldt.
- Rechterlijke dwangsom opgelegd van €100 per dag met een maximum van €15.000 bij overschrijding van de tweewekentermijn.
- Proceskosten vastgesteld op €467 (1 punt à €934 met wegingsfactor 0,5 voor een lichte zaak).
Samenvatting
Een asielzoeker heeft al langer dan wettelijk toegestaan gewacht op een beslissing op zijn asielaanvraag. De minister van Asiel en Migratie heeft de wettelijke beslistermijn ruimschoots overschreden, wat de rechtbank in Den Haag (zittingsplaats Middelburg) heeft vastgesteld in een beroepsprocedure.
Normaal gesproken moet de minister binnen zes maanden na ontvangst van een asielaanvraag een beslissing nemen. De minister had geprobeerd deze termijn met negen maanden te verlengen via een beleidsbesluit, maar de rechtbank oordeelt dat deze verlenging onvoldoende gemotiveerd is. Daarmee ontbreekt de juridische grondslag voor die verlenging en geldt de oorspronkelijke termijn van zes maanden.
Daarbovenop bleek zelfs de maximale termijn van 21 maanden die de Europese Procedurerichtlijn als uiterste grens stelt, al te zijn overschreden. Dat is een bijzondere omstandigheid die de rechtbank aanleiding geeft om een strengere aanpak te kiezen: de minister moet zo snel mogelijk beslissen.
De asielzoeker had eerder zijn advocaat ingeschakeld en een ingebrekestelling ingediend — een formele aanmaning aan de minister om alsnog te beslissen. Omdat de minister ook na die aanmaning geen besluit nam, werd beroep ingesteld. De rechtbank verklaart dit beroep gegrond en tikt de minister op de vingers.
Om naleving af te dwingen, legt de rechtbank een dwangsom op: voor elke dag dat de minister de nieuwe deadline overschrijdt, verbeurt hij honderd euro, met een maximum van vijftienduizend euro. De minister krijgt twee weken na verzending van de uitspraak om alsnog een beslissing bekend te maken. Ook moet de minister de proceskosten van de asielzoeker vergoeden, vastgesteld op 467 euro.
Betrokken advocaten
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RVS:2024:1078, Raad van State, 15-03-2024, 202307605/1/V3
Raad van State · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RVS:2020:1499, Raad van State, 24-06-2020, 202000278/1/V2
Raad van State · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:CRVB:2018:2468, Centrale Raad van Beroep, 09-08-2018, 16/4591 AOW
Centrale Raad van Beroep · Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
ECLI:NL:CRVB:2018:2008, Centrale Raad van Beroep, 03-07-2018, 17-1730 PW
Centrale Raad van Beroep · Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Gegevens
Datum uitspraak
27 maart 2026
Instantie
Rechtbank Den HaagRechtsgebied
Bestuursrecht; VreemdelingenrechtZaaknummer
NL25.53209
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:7126