Rechter dwingt minister tot beslissen op te lang uitgestelde asielaanvraag — RBDHA:2026:7127
niet tijdig beslissen op asielaanvraag / dwangsom asielrecht
Eiser / verzoeker
asielzoeker (anoniem)
Verweerder / gedaagde
minister van Asiel en Migratie
Beroep gegrond verklaard; minister moet binnen twee weken beslissen op de asielaanvraag, op straffe van een dwangsom van €100 per dag met een maximum van €15.000, en moet €467 aan proceskosten vergoeden.
- De verlenging van de beslistermijn met negen maanden via WBV 2023/3 is onvoldoende gemotiveerd en mist daardoor een rechtsgeldige grondslag, waardoor de standaardtermijn van zes maanden geldt.
- De uiterste termijn van 21 maanden uit de Europese Procedurerichtlijn is eveneens overschreden, wat de rechtbank aanleiding geeft tot een bijzonder korte hersteltermijn van twee weken.
- De rechtbank legt een rechterlijke dwangsom op van €100 per dag met een maximum van €15.000 wegens het uitblijven van een beslissing.
- Proceskosten worden vastgesteld op €467 (1 punt voor beroepschrift, wegingsfactor 0,5 vanwege licht gewicht van de zaak).
Samenvatting
Een asielzoeker heeft bij de rechtbank Den Haag (zittingsplaats Middelburg) met succes geklaagd over het uitblijven van een beslissing op zijn asielaanvraag. De minister van Asiel en Migratie had veel te lang gewacht met het nemen van een besluit, waardoor de wettelijke beslistermijn ruimschoots was overschreden.
Volgens de wet moet de minister in beginsel binnen zes maanden na ontvangst van een asielaanvraag een beslissing nemen. De minister had geprobeerd die termijn te verlengen met negen extra maanden via een beleidswijziging (WBV 2023/3), maar de rechtbank veegt die verlenging van tafel. De motivering voor die verlenging schiet tekort, waardoor de verlengde termijn geen juridische grondslag heeft en de gewone termijn van zes maanden blijft gelden.
De asielzoeker had de minister schriftelijk in gebreke gesteld en vervolgens beroep ingesteld bij de rechter. De rechtbank stelt vast dat aan alle formele vereisten is voldaan: de beslistermijn is overschreden, de ingebrekestelling was correct en het beroep is tijdig na het verstrijken van de twee-wekentermijn na die ingebrekestelling ingesteld. Het beroep is dan ook ontvankelijk én gegrond.
Bijzonder aan deze zaak is dat de zogenoemde uiterste termijn van 21 maanden uit de Europese Procedurerichtlijn eveneens al is overschreden. Dat is een zwaarwegende omstandigheid die de rechtbank aanleiding geeft om de minister een extra strakke deadline op te leggen: hij moet uiterlijk twee weken na verzending van de uitspraak alsnog een beslissing bekendmaken.
Om te voorkomen dat de minister zich ook aan díe termijn niets gelegen laat liggen, legt de rechtbank een dwangsom op. Voor elke dag dat de minister na het verstrijken van de twee-wekentermijn nog steeds niet heeft beslist, verbeurt hij honderd euro, met een maximum van vijftienduizend euro. De minister wordt daarnaast veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de asielzoeker, vastgesteld op 467 euro.
Betrokken advocaten
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RVS:2024:1078, Raad van State, 15-03-2024, 202307605/1/V3
Raad van State · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RVS:2020:1499, Raad van State, 24-06-2020, 202000278/1/V2
Raad van State · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:CRVB:2018:2468, Centrale Raad van Beroep, 09-08-2018, 16/4591 AOW
Centrale Raad van Beroep · Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
ECLI:NL:CRVB:2018:2008, Centrale Raad van Beroep, 03-07-2018, 17-1730 PW
Centrale Raad van Beroep · Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Gegevens
Datum uitspraak
27 maart 2026
Instantie
Rechtbank Den HaagRechtsgebied
Bestuursrecht; VreemdelingenrechtZaaknummer
NL25.53225
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:7127