Rechter handhaaft bewaring Gambiaanse man na onrechtmatigheidsklacht — RBDHA:2026:7156
vreemdelingenbewaring / staandehouding vreemdeling
Eiser / verzoeker
Gambiaanse man (V-nummer niet openbaar)
Verweerder / gedaagde
Minister van Asiel en Migratie
Beroep tegen de maatregel van bewaring ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
- Staandehouding op grond van artikel 50 Vw was rechtmatig omdat verificatie van identiteit via infoset noodzakelijk was, ook al was de persoon al in beeld bij de overheid.
- De man bestreed geen van de aan de bewaring ten grondslag gelegde zware en lichte gronden, waardoor de rechtbank deze voor juist hield.
- De onbestreden gronden leveren samen voldoende onderbouwing op voor het risico op onttrekking aan het toezicht.
- Beroep ongegrond verklaard en verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Samenvatting
Een man met de Gambiaanse nationaliteit werd op 19 maart 2026 in vreemdelingenbewaring gesteld door de minister van Asiel en Migratie. Hij tekende beroep aan tegen deze maatregel en vroeg tegelijkertijd om schadevergoeding, stellende dat zijn aanhouding onrechtmatig was geweest.
De man betoogde dat de staandehouding op het azc geen wettelijke grondslag had. De verbalisanten van DV&O stonden al klaar bij de spreekkamer waar hij zich moest melden en herkenden hem aan een foto voordat zij hem staandehielden. Omdat zijn identiteit, nationaliteit en verblijfsrechtelijke positie bij de overheid al bekend zouden zijn, kon er volgens hem geen sprake zijn van een rechtmatige staandehouding op grond van artikel 50 van de Vreemdelingenwet.
De rechtbank ging daar niet in mee. Staandehouding op grond van artikel 50 Vreemdelingenwet is mogelijk bij een redelijk vermoeden van illegaal verblijf, en dat vermoeden kan onder meer gebaseerd zijn op informatie van overheidsinstanties. In dit geval beschikte de Dienst Terugkeer & Vertrek over een infoset met een foto van de man. Uit het proces-verbaal bleek bovendien dat de verbalisanten de gegevens die de man opgaf vergeleken met de infoset om te bevestigen dat hij daadwerkelijk de gezochte persoon was. Die verificatie was volgens de rechtbank precies waarvoor de bevoegdheid tot staandehouding bedoeld is, en er was dan ook geen sprake van een onrechtmatige aanhouding.
Vervolgens beoordeelde de rechtbank de gronden van de bewaring zelf. De minister had zowel zware als lichte gronden aangevoerd: de man was Nederland niet op de voorgeschreven wijze binnengekomen, had een vertrekverplichting genegeerd, werkte onvoldoende mee aan vaststelling van zijn identiteit en nationaliteit, en had aangegeven niet te zullen terugkeren. Als lichte gronden golden onder meer het ontbreken van een vaste woon- of verblijfplaats en onvoldoende bestaansmiddelen. De man had geen van deze gronden bestreden.
De rechtbank oordeelde dat de onbestreden gronden samen voldoende zwaarwegend zijn om de maatregel te dragen, omdat daaruit volgt dat een reëel risico bestaat dat de man zich aan het toezicht zal onttrekken. Ook ambtshalve constateerde de rechter geen onregelmatigheden. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Betrokken advocaten
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RBDHA:2024:4665, Rechtbank Den Haag, 27-03-2024, NL23.32667
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2024:4650, Rechtbank Den Haag, 27-03-2024, NL23.34811
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2023:22234, Rechtbank Den Haag, 22-12-2023, 23-5481
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2023:17740, Rechtbank Den Haag, 10-10-2023, NL23.12250
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Gegevens
Datum uitspraak
30 maart 2026
Instantie
Rechtbank Den HaagRechtsgebied
Bestuursrecht; VreemdelingenrechtZaaknummer
NL26.15529
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:7156