Minister betaalt proceskosten na te laat beslissen op nareisaanvraag — RBDHA:2026:7166
bestuursrecht / niet tijdig beslissen / nareisaanvraag machtiging voorlopig verblijf
Eiser / verzoeker
Verzoekster (asielzoekster met kinderen)
Verweerder / gedaagde
Minister van Asiel en Migratie
Verweerder wordt veroordeeld tot betaling van €467 aan proceskosten wegens niet tijdig beslissen op de nareisaanvraag.
- Minister besliste niet tijdig op nareisaanvraag ingediend op 13 december 2024, waarna beroep wegens niet tijdig beslissen werd ingesteld
- Hangende het beroep nam de minister op 16 maart 2026 alsnog een besluit, waarna verzoekster het beroep introk
- Rechtbank kent proceskostenveroordeling toe op grond van artikel 8:75a Awb omdat minister aan verzoekster is tegemoetgekomen
- Wegingsfactor 'licht' (0,5) toegepast omdat het beroep uitsluitend zag op het niet tijdig nemen van een besluit
Samenvatting
Een vrouw die samen met haar kinderen in aanmerking wilde komen voor gezinshereniging via nareis, moest ruim een jaar wachten op een beslissing van de minister van Asiel en Migratie. Ze diende haar aanvraag in op 13 december 2024, maar toen de wettelijke beslistermijn verstreek zonder uitkomst, stapte ze in november 2025 naar de rechter.
Het beroep richtte zich niet op de inhoud van de aanvraag, maar uitsluitend op het uitblijven van een besluit — een zogeheten beroep wegens niet tijdig beslissen. Zulke beroepen worden ingediend om een bestuursorgaan te dwingen eindelijk een knoop door te hakken.
Dat werkte: op 16 maart 2026 nam de minister alsnog een besluit op de nareisaanvraag. Daarmee was het doel van het beroep bereikt, en de vrouw trok het in. Wel vroeg ze de rechtbank om de minister te veroordelen in de proceskosten die ze had gemaakt voor juridische bijstand.
De rechtbank in Middelburg oordeelde dat de minister door het te late besluit tekort was geschoten en door hangende het beroep alsnog te beslissen feitelijk aan de vrouw tegemoet was gekomen. Dat maakt een proceskostenveroordeling mogelijk op grond van de Algemene wet bestuursrecht. Omdat het beroep uitsluitend zag op het niet tijdig beslissen — een relatief eenvoudige zaak — paste de rechtbank een lichte wegingsfactor toe. De minister werd veroordeeld tot betaling van 467 euro aan proceskosten.
Betrokken advocaten
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RVS:2025:6271, Raad van State, 29-12-2025, BRS.25.001715
Raad van State · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2025:26239, Rechtbank Den Haag, 10-12-2025, C/09/686289 / HA RK 25-291
Rechtbank Den Haag · Civiel Recht; Personen- En Familierecht
ECLI:NL:RBAMS:2025:9610, Rechtbank Amsterdam, 24-11-2025, C/13/778060 / FA RK 25/8414
Rechtbank Amsterdam · Civiel Recht; Personen- En Familierecht
ECLI:NL:RBDHA:2025:19855, Rechtbank Den Haag, 24-09-2025, NL24.10587
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Gegevens
Datum uitspraak
30 maart 2026
Instantie
Rechtbank Den HaagRechtsgebied
Bestuursrecht; VreemdelingenrechtZaaknummer
NL25.55731
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:7166