Minister te laat op bezwaar verblijfsdocument EU/EER: rechter legt dwangsom op — RBDHA:2026:7169
Niet tijdig beslissen op bezwaar verblijfsdocument EU/EER / dwangsom bestuursrecht
Eiser / verzoeker
Eiseres (aanvrager verblijfsdocument EU/EER)
Verweerder / gedaagde
Minister van Asiel en Migratie
Beroep wegens niet tijdig beslissen gegrond verklaard; minister moet binnen twaalf weken beslissen op bezwaar, op straffe van een dwangsom van €100 per dag met een maximum van €15.000.
- De minister had uiterlijk 4 juli 2025 moeten beslissen op het bezwaar; het niet-tijdig beslissen wordt gelijkgesteld met een besluit en is vatbaar voor beroep.
- De rechtbank past een langere beslistermijn dan de standaard twee weken toe, omdat zorgvuldigheid van besluitvorming in reguliere verblijfszaken zwaar weegt en het geval als bijzonder wordt aangemerkt.
- Verweerder krijgt twaalf weken om een besluit op bezwaar bekend te maken, aansluitend bij het kader van beslistermijnen dat de Afdeling bestuursrechtspraak in 2024 en 2025 heeft bevestigd.
- Bij overschrijding van de termijn verbeurt de minister een dwangsom van €100 per dag, met een maximum van €15.000.
- Verweerder moet het griffierecht van €194 en proceskosten van €467 aan eiseres vergoeden.
Samenvatting
Een vrouw die een verblijfsdocument voor EU/EER-burgers had aangevraagd, moest jarenlang wachten op een beslissing van de minister van Asiel en Migratie. Toen de minister ook na bezwaar geen besluit nam, stapte zij naar de rechter.
De minister had uiterlijk op 4 juli 2025 moeten beslissen op het bezwaar. De beslistermijn van negentien weken was berekend op basis van de afwijzing van de oorspronkelijke aanvraag op 22 november 2024, met daarbij opgeteld een opschorting vanwege een verzuimherstel en twee verdagingen. Ondanks dat de termijn ruimschoots was verstreken, liet de minister verstek gaan: er werd geen besluit genomen en ook geen verweerschrift ingediend bij de rechter.
De vrouw stelde de minister op 8 oktober 2025 formeel in gebreke. Nadat twee weken waren verstreken, diende zij op 30 oktober 2025 beroep in wegens het niet tijdig beslissen. De rechtbank Den Haag oordeelde dat het beroep tijdig en terecht was ingediend en verklaarde het dan ook gegrond.
Normaal gesproken legt de rechter bij te laat beslissen een termijn van twee weken op. In deze zaak koos de rechtbank echter voor een langere termijn. De reden daarvoor is dat zaken rond verblijfsdocumenten en aanverwante reguliere aanvragen op dit moment als bijzonder gelden: zorgvuldigheid bij de besluitvorming weegt zwaar, en die zorgvuldigheid mag niet zonder meer worden opgeofferd aan snelheid. De rechtbank sloot aan bij een eerder door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State goedgekeurd kader van beslistermijnen uit 2023, dat in mei 2025 opnieuw werd bevestigd. Omdat uit het dossier bleek dat de minister nog van plan was eiseres en haar moeder te horen op het bezwaar, werd de termijn gesteld op twaalf weken na verzending van de uitspraak.
Om de naleving te waarborgen, verbond de rechtbank aan de nieuwe termijn een dwangsom van honderd euro per dag dat de minister te laat is, met een maximum van vijftienduizend euro. Daarnaast moet de minister het betaalde griffierecht van 194 euro vergoeden en wordt hij veroordeeld in de proceskosten van 467 euro.
Betrokken advocaten
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RVS:2024:1078, Raad van State, 15-03-2024, 202307605/1/V3
Raad van State · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RVS:2020:1499, Raad van State, 24-06-2020, 202000278/1/V2
Raad van State · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:CRVB:2018:2468, Centrale Raad van Beroep, 09-08-2018, 16/4591 AOW
Centrale Raad van Beroep · Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
ECLI:NL:CRVB:2018:2008, Centrale Raad van Beroep, 03-07-2018, 17-1730 PW
Centrale Raad van Beroep · Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Gegevens
Datum uitspraak
27 maart 2026
Instantie
Rechtbank Den HaagRechtsgebied
Bestuursrecht; VreemdelingenrechtZaaknummer
NL25.53278
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:7169