Rechter dwingt minister tot besluit over slepende asielaanvraag met dwangsom — RBDHA:2026:7171
asielrecht / niet tijdig beslissen op asielaanvraag
Eiser / verzoeker
Eiseres (asielzoekster met twee minderjarige kinderen)
Verweerder / gedaagde
Minister van Asiel en Migratie
Beroep gegrond verklaard; minister moet binnen twee weken beslissen op de asielaanvraag op straffe van een dwangsom van €100 per dag met een maximum van €15.000, en moet €467 aan proceskosten vergoeden.
- De verlenging van de beslistermijn via WBV 2023/3 is onvoldoende gemotiveerd en mist rechtsgrond; de wettelijke beslistermijn van zes maanden geldt onverkort.
- De maximale termijn van 21 maanden uit de Europese Procedurerichtlijn is overschreden, wat aanleiding geeft tot een verkorte opdrachttermijn van twee weken.
- De rechtbank legt een rechterlijke dwangsom op van €100 per dag met een maximum van €15.000 bij niet-tijdig beslissen.
- Proceskosten worden vastgesteld op €467 (wegingsfactor 0,5 vanwege licht gewicht van de zaak).
Samenvatting
Een vrouw met twee minderjarige kinderen wacht al meer dan 21 maanden op een beslissing op haar asielaanvraag. De minister van Asiel en Migratie had die beslissing allang moeten nemen, maar liet het er telkens bij zitten. De rechtbank Den Haag (zittingsplaats Middelburg) heeft nu ingegrepen en de minister gedwongen om binnen twee weken alsnog een besluit te nemen.
Volgens de wet moet de overheid binnen zes maanden na ontvangst van een asielaanvraag een beslissing nemen. De minister probeerde die termijn te verlengen via een beleidsbesluit (WBV 2023/3), waarbij de beslistermijn met negen maanden werd opgerekt. De rechtbank veegt die verlenging van tafel: die is volgens de rechter onvoldoende gemotiveerd en mist daarmee een deugdelijke rechtsgrond. Dat betekent dat de oorspronkelijke termijn van zes maanden gewoon geldt — en die is al lang verstreken.
De vrouw heeft de minister eerder formeel in gebreke gesteld, een vereiste stap voordat je naar de rechter kunt stappen wegens het uitblijven van een besluit. Twee weken nadat dat verzoek werd ingediend was er nog steeds geen beslissing, en dus heeft ze beroep ingesteld. De rechtbank verklaart dat beroep gegrond.
Omdat de maximale termijn van 21 maanden zoals opgenomen in de Europese Procedurerichtlijn inmiddels ook is overschreden, ziet de rechter reden om extra druk op de ketel te zetten. De minister krijgt niet de gebruikelijke twee weken de tijd, maar moet zo snel mogelijk beslissen — en uiterlijk binnen twee weken na verzending van de uitspraak. Doet hij dat niet, dan verbeurt hij een dwangsom van 100 euro per dag, oplopend tot maximaal 15.000 euro.
De rechtbank veroordeelt de minister ook in de proceskosten: de vrouw krijgt 467 euro vergoed voor de kosten van haar rechtsbijstand. Dat bedrag is lager dan normaal, omdat de zaak als 'licht' wordt aangemerkt — er was alleen de vraag of de beslistermijn was overschreden, niet een inhoudelijke beoordeling van de asielaanvraag zelf.
Betrokken advocaten
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RBDHA:2026:1741, Rechtbank Den Haag, 02-02-2026, NL25.46210
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:1739, Rechtbank Den Haag, 02-02-2026, NL25.46208
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:1626, Rechtbank Den Haag, 23-01-2026, NL25.43624
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:1629, Rechtbank Den Haag, 23-01-2026, NL25.43623
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Gegevens
Datum uitspraak
27 maart 2026
Instantie
Rechtbank Den HaagRechtsgebied
Bestuursrecht; VreemdelingenrechtZaaknummer
NL25.58675
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:7171