Rechter dwingt minister tot beslissen over te lang lopende asielaanvraag — RBDHA:2026:7178
asielrecht / niet tijdig beslissen op asielaanvraag
Eiser / verzoeker
asielzoeker (anoniem)
Verweerder / gedaagde
minister van Asiel en Migratie
Beroep gegrond verklaard; minister moet binnen twee weken alsnog beslissen op de asielaanvraag, op straffe van een dwangsom van €100 per dag met een maximum van €15.000, en moet €467 aan proceskosten vergoeden.
- De verlenging van de beslistermijn met negen maanden op basis van WBV 2023/3 is onvoldoende gemotiveerd en mist daardoor een rechtsgeldige grondslag; de beslistermijn blijft zes maanden.
- De maximale termijn van 21 maanden uit de Europese Procedurerichtlijn is overschreden, wat aanleiding geeft voor een extra strikte rechterlijke termijn van twee weken.
- De rechtbank legt een rechterlijke dwangsom op van €100 per dag met een maximum van €15.000 als de minister niet tijdig beslist.
- Proceskosten worden vastgesteld op €467 (0,5 punt wegens licht gewicht van de zaak).
Samenvatting
Een asielzoeker heeft jaren op een beslissing gewacht. De minister van Asiel en Migratie liet de wettelijke beslistermijn verstrijken zonder een oordeel te geven over de asielaanvraag. De rechtbank Den Haag, zittend in Middelburg, greep in en veroordeelde de minister tot snel handelen.
Volgens de Vreemdelingenwet moet de overheid binnen zes maanden na ontvangst van een asielaanvraag een beslissing nemen. De minister had geprobeerd die termijn met negen maanden te verlengen op basis van een beleidsmaatregel uit 2023 (WBV 2023/3). De rechtbank accepteerde die verlenging niet: de motivering daarvoor was onvoldoende, waardoor de wettelijke grondslag voor de verlenging ontbrak. De geldende beslistermijn bleef daarmee gewoon zes maanden.
De zaak had bijzondere kenmerken: de maximale termijn van 21 maanden die de Europese Procedurerichtlijn als absolute grens stelt, was inmiddels al overschreden. Dat gaf de rechtbank aanleiding om een strenge aanpak te kiezen. Normaal gesproken krijgt de minister na zo'n uitspraak twee weken de tijd om alsnog te beslissen, maar die termijn werd hier extra urgent gemaakt omdat de Europese maximumgrens al gepasseerd was.
De asielzoeker had de minister eerder schriftelijk in gebreke gesteld, wat een vereiste stap is voordat je naar de rechter kunt. Dat was correct verlopen en het beroep was ook tijdig ingesteld. De rechtbank verklaarde het beroep dan ook gegrond en vernietigde het 'besluit' dat besloten lag in het stilzwijgen van de minister — het niet-beslissen wordt juridisch gelijkgesteld aan een besluit waartegen bezwaar en beroep mogelijk zijn.
Om ervoor te zorgen dat de minister niet opnieuw talmt, legde de rechtbank een dwangsom op. Voor elke dag dat de minister de nieuwe deadline van twee weken overschrijdt, moet er €100 worden betaald, met een maximum van €15.000. Daarnaast werd de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de asielzoeker: €467.
Betrokken advocaten
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RVS:2024:1078, Raad van State, 15-03-2024, 202307605/1/V3
Raad van State · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RVS:2020:1499, Raad van State, 24-06-2020, 202000278/1/V2
Raad van State · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:CRVB:2018:2468, Centrale Raad van Beroep, 09-08-2018, 16/4591 AOW
Centrale Raad van Beroep · Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
ECLI:NL:CRVB:2018:2008, Centrale Raad van Beroep, 03-07-2018, 17-1730 PW
Centrale Raad van Beroep · Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Gegevens
Datum uitspraak
27 maart 2026
Instantie
Rechtbank Den HaagRechtsgebied
Bestuursrecht; VreemdelingenrechtZaaknummer
NL25.39156
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:7178