Rechter dwingt minister tot beslissen over te lang uitgestelde asielaanvraag — RBDHA:2026:7213
Niet tijdig beslissen op asielaanvraag / dwangsom bestuursrecht
Eiser / verzoeker
Asielzoeker (anoniem)
Verweerder / gedaagde
Minister van Asiel en Migratie
Beroep gegrond verklaard; minister moet binnen twee weken beslissen op de asielaanvraag, op straffe van een dwangsom van €100 per dag met een maximum van €15.000, en moet €467 aan proceskosten vergoeden.
- Verlenging van de beslistermijn via WBV 2023/3 met negen maanden is onvoldoende gemotiveerd en mist daarmee rechtsgrond, waardoor de wettelijke termijn van zes maanden geldt.
- Ook de Europese maximumtermijn van 21 maanden uit de Procedurerichtlijn is overschreden, wat als bijzondere omstandigheid geldt.
- Rechtbank legt rechterlijke dwangsom op van €100 per dag (max. €15.000) als de minister niet binnen twee weken beslist.
- Proceskosten vastgesteld op €467, met wegingsfactor 0,5 vanwege het lichte karakter van de zaak (enkel termijnoverschrijding).
Samenvatting
Een asielzoeker heeft bij de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, met succes geklaagd over het uitblijven van een beslissing op zijn asielaanvraag. De minister van Asiel en Migratie had ruimschoots de wettelijke beslistermijn overschreden, zonder dat daarvoor een deugdelijke rechtsgrond bestond.
Volgens de wet moet de overheid binnen zes maanden beslissen op een asielaanvraag. De minister had geprobeerd die termijn met negen maanden te verlengen via een officieel beleidsbesluit (WBV 2023/3), maar de rechtbank oordeelde dat deze verlenging onvoldoende was gemotiveerd. Daarmee ontbrak de wettelijke basis voor die verlenging en gold gewoon de oorspronkelijke termijn van zes maanden. Bovendien was zelfs de maximale termijn van 21 maanden die de Europese Procedurerichtlijn als absoluut uiterste stelt, inmiddels overschreden.
De asielzoeker had de minister eerder schriftelijk in gebreke gesteld — een formele waarschuwing die nodig is voordat je naar de rechter kunt stappen. Twee weken na die ingebrekestelling was er nog steeds geen beslissing, waarna hij beroep instelde. De rechtbank verklaarde dit beroep gegrond.
Omdat de situatie bijzonder ernstig was — ook de Europese maximumtermijn was voorbij — legde de rechtbank een strenge maatregel op. De minister moet zo snel mogelijk beslissen, maar in elk geval binnen twee weken na verzending van de uitspraak. Doet de minister dat niet, dan loopt er een dwangsom op van honderd euro per dag, met een maximum van vijftienduizend euro.
Daarnaast werd de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de asielzoeker. Omdat de zaak relatief eenvoudig van aard was — het ging puur om de vraag of de beslistermijn was overschreden — werd een lichtere wegingsfactor gehanteerd. De vergoeding bedraagt 467 euro.
Betrokken advocaten
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RVS:2024:1078, Raad van State, 15-03-2024, 202307605/1/V3
Raad van State · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RVS:2020:1499, Raad van State, 24-06-2020, 202000278/1/V2
Raad van State · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:CRVB:2018:2468, Centrale Raad van Beroep, 09-08-2018, 16/4591 AOW
Centrale Raad van Beroep · Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
ECLI:NL:CRVB:2018:2008, Centrale Raad van Beroep, 03-07-2018, 17-1730 PW
Centrale Raad van Beroep · Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Gegevens
Datum uitspraak
27 maart 2026
Instantie
Rechtbank Den HaagRechtsgebied
Bestuursrecht; VreemdelingenrechtZaaknummer
NL25.44519
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:7213