Rechter dwingt minister tot beslissen op te lang uitgestelde asielaanvraag — RBDHA:2026:7221
asielrecht / niet tijdig beslissen op asielaanvraag / dwangsom
Eiser / verzoeker
Asielzoeker (anoniem)
Verweerder / gedaagde
Minister van Asiel en Migratie
Beroep gegrond verklaard; minister moet binnen twee weken beslissen op de asielaanvraag, op straffe van een dwangsom van €100 per dag met een maximum van €15.000, en moet €467 proceskosten vergoeden.
- De verlenging van de beslistermijn met negen maanden via WBV 2023/3 is onvoldoende gemotiveerd en heeft geen rechtsgeldige grondslag; de wettelijke beslistermijn van zes maanden geldt.
- De maximumtermijn van 21 maanden uit de Europese Procedurerichtlijn is overschreden, wat aanleiding geeft tot een bijzonder strenge opdracht om zo snel mogelijk te beslissen.
- De rechtbank legt een rechterlijke dwangsom op van €100 per dag met een maximum van €15.000 als de minister niet binnen twee weken beslist.
- De proceskosten worden vastgesteld op €467, waarbij een wegingsfactor van 0,5 geldt omdat de zaak van licht gewicht is.
Samenvatting
Een asielzoeker heeft jarenlang gewacht op een beslissing van de minister van Asiel en Migratie op zijn asielaanvraag. Omdat die beslissing uitbleef, stapte hij naar de rechter. De rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, deed uitspraak over de vraag of de minister te lang heeft gewacht en wat daaraan gedaan moet worden.
Volgens de wet moet er binnen zes maanden na het indienen van een asielaanvraag een beslissing komen. De minister had de beslistermijn via een beleidsregel verlengd met negen maanden extra, maar de rechtbank veegt die verlenging van tafel. De onderbouwing daarvoor schiet tekort, waardoor de verlenging geen rechtsgeldige grondslag heeft. Dat betekent dat de gewone termijn van zes maanden geldt — en die is ruimschoots overschreden.
Bijzonder in deze zaak is dat ook de absolute maximumtermijn van 21 maanden die de Europese Procedurerichtlijn stelt, is verstreken. Dat is voor de rechtbank reden om extra streng op te treden: de minister krijgt niet de gebruikelijke twee weken om alsnog te beslissen, maar wordt ook al die tijd opgedragen dat zo snel mogelijk te doen. De termijn van twee weken geldt als harde deadline.
Om te zorgen dat de minister zich aan die deadline houdt, legt de rechtbank een dwangsom op. Voor elke dag dat de minister na die twee weken nog steeds geen beslissing heeft genomen, verbeurt hij honderd euro, met een maximum van vijftienduizend euro. Zo'n rechterlijke dwangsom is een klassiek pressiemiddel om een bestuursorgaan tot actie te dwingen.
De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vernietigt het uitblijven van een besluit en veroordeelt de minister in de proceskosten. De asielzoeker krijgt 467 euro aan proceskosten vergoed. Omdat de zaak relatief eenvoudig van aard is — het draait puur om de overschrijding van de beslistermijn — wordt een wegingsfactor van 0,5 gehanteerd bij het vaststellen van die vergoeding.
Betrokken advocaten
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RVS:2024:1078, Raad van State, 15-03-2024, 202307605/1/V3
Raad van State · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RVS:2020:1499, Raad van State, 24-06-2020, 202000278/1/V2
Raad van State · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:CRVB:2018:2468, Centrale Raad van Beroep, 09-08-2018, 16/4591 AOW
Centrale Raad van Beroep · Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
ECLI:NL:CRVB:2018:2008, Centrale Raad van Beroep, 03-07-2018, 17-1730 PW
Centrale Raad van Beroep · Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Gegevens
Datum uitspraak
27 maart 2026
Instantie
Rechtbank Den HaagRechtsgebied
Bestuursrecht; VreemdelingenrechtZaaknummer
NL25.39162
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:7221