Rechter dwingt minister tot beslissen over gezinshereniging asielzoekers — RBDHA:2026:7233
Niet tijdig beslissen op mvv-aanvraag gezinshereniging / asiel en vreemdelingenrecht
Eiser / verzoeker
Gezin van zes personen (eisers), aanvragers machtiging tot voorlopig verblijf gezinshereniging
Verweerder / gedaagde
Minister van Asiel en Migratie
Beroep gegrond verklaard; minister moet binnen 8 weken een besluit nemen op de aanvraag, op straffe van een dwangsom van €100 per dag met een maximum van €15.000, en wordt veroordeeld tot betaling van €467 proceskosten.
- De wettelijke beslistermijn van 90 dagen (verlengd met drie maanden) was ruimschoots overschreden zonder dat een besluit was genomen, wat het beroep wegens niet tijdig beslissen gegrond maakt.
- Het 'first-in first-out'-principe van de minister geeft geen aanleiding om af te wijken van de door de Afdeling bestuursrechtspraak redelijk bevonden beslistermijnen.
- De rechtbank legt een nadere beslistermijn op van acht weken (of twintig weken bij nader onderzoek), met een dwangsom van €100 per dag tot een maximum van €15.000.
- Het verzoek om vaststelling van een bestuurlijke dwangsom wordt afgewezen omdat de nieuwe wet bestuurlijke dwangsommen in vreemdelingenzaken heeft afgeschaft.
- Proceskosten worden vastgesteld op €467 met wegingsfactor 'licht', omdat het beroep alleen het uitblijven van een besluit betreft.
Samenvatting
Een gezin van zes mensen dat wacht op een machtiging tot voorlopig verblijf voor gezinshereniging heeft met succes beroep ingesteld bij de rechtbank Den Haag. De minister van Asiel en Migratie had na ruim een jaar nog altijd geen besluit genomen op hun aanvraag, terwijl de wettelijke termijn al lang verstreken was.
De aanvraag werd ingediend op 29 juni 2024. De minister had wettelijk gezien binnen 90 dagen moeten beslissen, met een toegestane verlenging van drie maanden. Dat betekende dat uiterlijk op 27 december 2024 een besluit had moeten vallen. Dat gebeurde niet. Nadat het gezin de minister op 16 april 2025 formeel in gebreke stelde, stelde het in augustus 2025 beroep in wegens het uitblijven van een beslissing.
De minister voerde aan dat hij werkt met een zogeheten 'first-in first-out'-systeem om de grote achterstand bij nareisaanvragen gestructureerd weg te werken. Volgens dat systeem zou de aanvraag van dit gezin pas in juni 2027 in behandeling worden genomen. De minister vroeg de rechtbank daarom een ruime beslistermijn van minimaal twintig weken op te leggen. De rechtbank erkent dat er sprake is van een grote werkachterstand bij het ministerie, maar volgt de lijn die eerder door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is uitgezet: het fifo-systeem is geen reden om langere termijnen te hanteren dan eerder redelijk zijn bevonden.
Omdat de minister de aanvraag weliswaar heeft ontvangen maar verder nog niet heeft bekeken, bepaalt de rechtbank dat binnen acht weken na verzending van de uitspraak alsnog een besluit moet worden genomen. Als de minister binnen die periode besluit dat nader onderzoek nodig is en dat schriftelijk aan het gezin meedeelt, geldt een termijn van twintig weken. Haalt de minister die deadline niet, dan loopt er een dwangsom van honderd euro per dag op, met een maximum van vijftienduizend euro.
Het verzoek van het gezin om de al verbeurde bestuurlijke dwangsom vast te stellen wees de rechtbank af. Sinds de inwerkingtreding van de Wet herziening regels niet tijdig beslissen in vreemdelingenzaken is een bestuurlijke dwangsom bij dit soort zaken namelijk niet meer van toepassing.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en veroordeelde de minister in de proceskosten van het gezin. Die kosten werden vastgesteld op 467 euro, waarbij een lichte wegingsfactor werd gehanteerd omdat het beroep uitsluitend ging over het uitblijven van een besluit en niet over de inhoud ervan.
Betrokken advocaten
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RBDHA:2026:2010, Rechtbank Den Haag, 05-02-2026, NL25.19842
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:2000, Rechtbank Den Haag, 05-02-2026, NL25.11371
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:2001, Rechtbank Den Haag, 05-02-2026, NL25.11884
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:2014, Rechtbank Den Haag, 05-02-2026, NL25.19770
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Gegevens
Datum uitspraak
30 maart 2026
Instantie
Rechtbank Den HaagRechtsgebied
Bestuursrecht; VreemdelingenrechtZaaknummer
NL 25 37247
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:7233