Rechter dwingt minister te beslissen over gezinshereniging met dwangsom — RBDHA:2026:7241
Asiel en migratie / niet tijdig beslissen op mvv-aanvraag gezinshereniging
Eiser / verzoeker
Twee vrouwen die gezinshereniging aanvragen (eiseressen)
Verweerder / gedaagde
Minister van Asiel en Migratie
Beroep gegrond verklaard; minister moet binnen acht (of twintig) weken beslissen op de aanvraag, op straffe van een dwangsom van €100 per dag met een maximum van €15.000, en moet €467 proceskosten vergoeden.
- Beslistermijn van 90 dagen (verlengd met drie maanden) was reeds verstreken zonder besluit; beroep wegens niet tijdig beslissen gegrond verklaard.
- Het 'first-in, first-out'-principe van de minister rechtvaardigt geen langere beslistermijn dan het door de Raad van State goedgekeurde kader; aanvraag moet binnen acht weken worden afgedaan.
- Rechterlijke dwangsom van €100 per dag met een maximum van €15.000 opgelegd bij overschrijding van de beslistermijn.
- Verzoek om vaststelling van bestuurlijke dwangsom afgewezen omdat nieuwe wetgeving (artikel 71b Vw) dit uitsluit voor ingebrekestellingen ingediend na inwerkingtreding.
- Proceskosten vastgesteld op €467 met wegingsfactor 'licht' omdat het beroep uitsluitend ziet op het niet tijdig beslissen.
Samenvatting
Twee vrouwen die via gezinshereniging naar Nederland willen komen bij hun familielid dat hier een asielvergunning heeft, wachten al veel langer dan wettelijk toegestaan op een beslissing van de minister van Asiel en Migratie. De aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf werd ingediend in augustus 2024, maar de minister had uiterlijk in februari 2025 een besluit moeten nemen. Dat is niet gebeurd, en zelfs na een formele ingebrekestelling in juni 2025 bleef een beslissing uit. De vrouwen stapten daarop naar de rechter.
De minister erkende de vertraging, maar wees op grote achterstanden bij het behandelen van gezinsherenigingsaanvragen en een aanhoudend hoge instroom. Sinds januari 2024 werkt de minister met een 'first-in, first-out'-systeem om de behandeling eerlijker en voorspelbaarder te maken. Volgens dat systeem zou de aanvraag van de twee vrouwen pas in oktober 2027 aan de beurt komen. De minister verzocht de rechtbank dan ook om een zo ruim mogelijke beslistermijn op te leggen.
De rechtbank in Middelburg ging daar niet volledig in mee. Weliswaar erkende zij dat bij gezinsherenigingsaanvragen in de asielketen sprake is van een bijzondere situatie die een langere termijn dan de standaard twee weken rechtvaardigt, maar de rechtbank volgde het door de Raad van State eerder goedgekeurde termijnenkader. Het 'first-in, first-out'-systeem van de minister is volgens de hoogste bestuursrechter geen reden om van dat kader af te wijken.
Omdat de minister de aanvraag weliswaar heeft ontvangen maar verder nog niet inhoudelijk heeft bekeken, krijgt hij acht weken om alsnog een besluit te nemen. Als binnen die periode blijkt dat nader onderzoek nodig is en dat schriftelijk aan de vrouwen wordt meegedeeld, geldt een maximale termijn van twintig weken na de uitspraak. Het verzoek van de vrouwen om een al verbeurde bestuurlijke dwangsom vast te stellen, wees de rechtbank af: door een wetswijziging is de minister in vreemdelingenzaken geen bestuurlijke dwangsom meer verschuldigd.
Het beroep werd gegrond verklaard. De minister moet een dwangsom van honderd euro per dag betalen als hij de opgelegde beslistermijn overschrijdt, met een maximum van vijftienduizend euro. Daarnaast moet de minister de proceskosten van de vrouwen vergoeden, vastgesteld op 467 euro.
Betrokken advocaten
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RBDHA:2026:2010, Rechtbank Den Haag, 05-02-2026, NL25.19842
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:2000, Rechtbank Den Haag, 05-02-2026, NL25.11371
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:2001, Rechtbank Den Haag, 05-02-2026, NL25.11884
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:2014, Rechtbank Den Haag, 05-02-2026, NL25.19770
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Gegevens
Datum uitspraak
30 maart 2026
Instantie
Rechtbank Den HaagRechtsgebied
Bestuursrecht; VreemdelingenrechtZaaknummer
NL 25 42349
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:7241