Rechter dwingt minister tot besluit op Syrische asielaanvraag — RBDHA:2026:7277
asielrecht / niet-tijdig beslissen / besluit- en vertrekmoratorium Syrië
Eiser / verzoeker
Asielzoeker (Syriër)
Verweerder / gedaagde
Minister van Asiel en Migratie
Beroep gegrond verklaard; minister moet binnen acht weken beslissen op de asielaanvraag, op straffe van een dwangsom van €100 per dag met een maximum van €15.000, en moet €467 aan proceskosten vergoeden.
- De rechtbank kwalificeert het Besluit- en Vertrekmoratorium voor Syriërs als een opschorting van de beslistermijn, niet als verlenging, op basis van de Europese Procedurerichtlijn.
- De opschorting geldt ook voor aanvragen waarbij de beslistermijn al vóór het BVM was verstreken; de minister had uiterlijk op 26 juni 2025 moeten beslissen.
- Omdat de maximale beslistermijn van 21 maanden is overschreden, legt de rechtbank een verkorte nieuwe termijn van acht weken op.
- Bij overschrijding van de opgelegde termijn verbeurt de minister een dwangsom van €100 per dag, met een maximum van €15.000.
Samenvatting
Een asielzoeker heeft met succes bij de rechtbank afgedwongen dat de minister van Asiel en Migratie alsnog een besluit neemt op zijn asielaanvraag. De aanvraag dateert van 26 juni 2024, maar er is ruim een jaar later nog steeds geen beslissing genomen — veel langer dan de wettelijke termijn van zes maanden.
De minister had een Besluit- en Vertrekmoratorium (BVM) ingesteld voor Syriërs, van kracht van 14 december 2024 tot en met 13 juni 2025. Dat moratorium was bedoeld om de beslistermijn tijdelijk op te schorten, omdat de situatie in Syrië zo onzeker was dat geen weloverwogen beslissingen konden worden genomen. De vraag was hoe dit moratorium doorwerkt op aanvragen waarbij de wettelijke beslistermijn al vóór het BVM was verstreken.
De rechtbank oordeelt dat het BVM de beslistermijn heeft opgeschort — niet verlengd, zoals de wet en het besluit zelf formuleren. Die keuze baseert de rechtbank op de Europese Procedurerichtlijn, die spreekt van 'uitstellen' (in het Engels: postpone), en op het doel van een dergelijk moratorium: zodra de onzekere situatie voorbij is, moet de besluitvorming gewoon worden hervat. Dat de Nederlandse wet over 'verlengen' spreekt, doet daar volgens de rechtbank niet aan af.
Voor de asielzoeker betekent dit concreet dat de minister uiterlijk op 26 juni 2025 een besluit had moeten nemen. Die datum is verstreken zonder dat er een beslissing viel. De man heeft de minister vervolgens in gebreke gesteld en hem twee weken de tijd gegeven. Toen ook dat zonder resultaat bleef, stapte hij naar de rechter.
De rechtbank verklaart het beroep gegrond en draagt de minister op om binnen acht weken alsnog een besluit te nemen. Omdat de maximale beslistermijn van 21 maanden inmiddels is overschreden, acht de rechtbank een kortere termijn dan gebruikelijk op zijn plaats. Voor elke dag dat de minister deze termijn overschrijdt, verbeurt hij een dwangsom van €100, met een maximum van €15.000. Daarnaast moet de minister de proceskosten van de asielzoeker vergoeden: €467.
Betrokken advocaten
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RBDHA:2026:1677, Rechtbank Den Haag, 02-02-2026, NL25.57665
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:1662, Rechtbank Den Haag, 02-02-2026, NL25.63983
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2025:25085, Rechtbank Den Haag, 23-12-2025, NL25.24381
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2025:25066, Rechtbank Den Haag, 23-12-2025, NL25.34161
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Gegevens
Datum uitspraak
31 maart 2026
Instantie
Rechtbank Den HaagRechtsgebied
Bestuursrecht; VreemdelingenrechtZaaknummer
NL26.9603
Procedure
Vereenvoudigde behandeling
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:7277