Minister krijgt acht weken alsnog te beslissen op asielaanvraag — RBDHA:2026:7280
asielrecht / niet tijdig beslissen / dwangsom
Eiser / verzoeker
Asielzoeker (naam geanonimiseerd)
Verweerder / gedaagde
Minister van Asiel en Migratie
Beroep gegrond verklaard; minister moet binnen acht weken beslissen op de asielaanvraag, op straffe van een dwangsom van €100 per dag met een maximum van €15.000, ingaande op 26 juli 2026.
- Bij een tweede beroep wegens niet tijdig beslissen op dezelfde aanvraag is geen nieuwe ingebrekestelling vereist
- Overschrijding van de maximale beslistermijn van 21 maanden rechtvaardigt een verkorte nieuwe beslistermijn van acht weken
- Nieuwe dwangsom van €100 per dag (max. €15.000) vangt pas aan op 26 juli 2026, na het vollopen van de eerder opgelegde dwangsom
- Proceskostenvergoeding vastgesteld op €233,50 met wegingsfactor 0,25 vanwege beperktere omvang werkzaamheden bij opvolgend niet-tijdig-beslissen-beroep
Samenvatting
Een asielzoeker heeft voor de tweede keer met succes beroep ingesteld omdat de minister van Asiel en Migratie niet op tijd heeft beslist op zijn asielaanvraag, die dateert van 31 maart 2024. De rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, stelde eerder al vast dat de minister in gebreke bleef en legde in december 2025 een eerste dwangsom op.
In die eerdere uitspraak van 15 december 2025 kreeg de minister de opdracht om uiterlijk 25 februari 2026 een beslissing te nemen. Dat is niet gebeurd. Daarmee was het tweede beroep van de asielzoeker ontvankelijk — een nieuwe ingebrekestelling was niet nodig, omdat het om dezelfde aanvraag ging als in de eerste procedure.
De rechtbank stelt vast dat de wettelijke maximale beslistermijn van 21 maanden inmiddels ruimschoots is overschreden. Dat rechtvaardigt een kortere nieuwe termijn dan gebruikelijk. Waar de rechtbank normaal gesproken het zogeheten '8+8 wekenmodel' hanteert, bepaalt ze nu dat de minister binnen acht weken een besluit moet nemen.
Omdat de eerder opgelegde dwangsom nog niet volledig is volgelopen — die loopt door tot 25 juli 2026 — gaat de nieuwe dwangsom pas op 26 juli 2026 in. Zo worden de twee dwangsommen niet tegelijkertijd opgelegd, maar sluiten ze op elkaar aan. Net als bij de eerste uitspraak geldt een bedrag van honderd euro per dag, met een maximum van vijftienduizend euro.
De rechtbank veroordeelt de minister ook in de proceskosten. Omdat een opvolgend beroep wegens niet tijdig beslissen minder juridisch werk vergt dan een eerste beroep, stelt de rechtbank de vergoeding lager vast dan gebruikelijk: de minister moet 233,50 euro aan proceskosten betalen. Het beroep is gegrond verklaard en de minister heeft acht weken de tijd om alsnog een besluit te nemen op de asielaanvraag, op straffe van een nieuwe dwangsom die oploopt tot maximaal vijftienduizend euro.
Betrokken advocaten
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RBDHA:2026:1966, Rechtbank Den Haag, 05-02-2026, NL25.59453
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:1590, Rechtbank Den Haag, 30-01-2026, NL25.59455 en NL25.59456
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:1586, Rechtbank Den Haag, 30-01-2026, NL25.59457
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:1613, Rechtbank Den Haag, 30-01-2026, NL25.31488
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Gegevens
Datum uitspraak
31 maart 2026
Instantie
Rechtbank Den HaagRechtsgebied
Bestuursrecht; VreemdelingenrechtZaaknummer
NL26.11679
Procedure
Vereenvoudigde behandeling
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:7280