Poolse man faalt in beroep tegen vreemdelingenbewaring — RBDHA:2026:7291
vreemdelingenbewaring / schadevergoeding onrechtmatige bewaring
Eiser / verzoeker
Poolse man (V-nummer geanonimiseerd)
Verweerder / gedaagde
Minister van Asiel en Migratie
Beroep ongegrond verklaard en verzoek om schadevergoeding afgewezen; de vreemdelingenbewaring was niet onrechtmatig.
- Man maakte niet aannemelijk dat hij na vertrek uit Nederland in Denemarken bestendig verblijf had opgebouwd, waardoor hij nog steeds onder artikel 59 lid 1 sub a Vw valt
- Onbetwiste zware gronden (illegale binnenkomst, onttrekking aan toezicht) en lichte gronden (geen vaste verblijfplaats, geen middelen van bestaan) dragen de bewaring zelfstandig
- Vertrekgesprek op 25 maart 2026 volstond als tijdige eerste uitzettingshandeling; verweerder handelde voldoende voortvarend
- Geen aanleiding voor lichter middel nu risico op onttrekking voldoende was gemotiveerd
- Omdat bewaring al was opgeheven, beperkte de toetsing zich tot de vraag naar schadevergoeding; die werd afgewezen
Samenvatting
Een Poolse man die in maart 2026 in vreemdelingenbewaring werd gesteld, heeft tevergeefs geprobeerd die bewaring onrechtmatig te laten verklaren. De rechtbank Den Haag (zittingsplaats Middelburg) wees zijn beroep en verzoek om schadevergoeding af.
De man, geboren in 1990, verblijft zonder rechtmatig verblijf in Nederland. In 2023 was al vastgesteld dat hij op grond van het Unierecht geen recht heeft op verblijf in Nederland. Hij stelde daarna naar Denemarken te zijn vertrokken en zijn leven daar te hebben opgebouwd, zodat zijn terugkeer naar Nederland als een nieuw verblijf zou moeten worden beschouwd. De rechtbank ging daar niet in mee. De man kon niet onderbouwen dat hij in Denemarken daadwerkelijk een bestaan had opgebouwd. Hij had zich nergens officieel ingeschreven, had nergens officieel gewerkt en voorzag in zijn levensonderhoud door statiegeldblikjes te verzamelen. Ook was hij bij zijn aanhouding onder vergelijkbare omstandigheden aangetroffen als destijds bij de beëindiging van zijn verblijfsrecht.
De minister van Asiel en Migratie legde op 20 maart 2026 een maatregel van bewaring op, met als reden dat de man een risico vormde om zich aan toezicht te onttrekken. Daar waren meerdere gronden voor: hij was Nederland niet op de voorgeschreven wijze binnengekomen, had zich eerder al aan vreemdelingentoezicht onttrokken, had geen vaste woon- of verblijfplaats en beschikte niet over voldoende middelen van bestaan. De man betwistte één van de zware gronden — dat hij niet gehoor had gegeven aan een eerdere aanzegging Nederland te verlaten — maar de rechtbank liet dat buiten beschouwing omdat de overige gronden de bewaring al voldoende droegen.
De man voerde verder aan dat hem de mogelijkheid had moeten worden geboden om zelfstandig te vertrekken. Ook dat argument verwierp de rechtbank: de minister had voldoende uitgelegd waarom een lichter middel niet doeltreffend zou zijn geweest.
Tot slot klaagde de man erover dat onduidelijk was of de minister wel voortvarend genoeg handelde om zijn uitzetting voor te bereiden. De rechtbank stelde vast dat op 25 maart 2026 al een vertrekgesprek had plaatsgevonden, wat als tijdige eerste uitzettingshandeling gold. Tijdens dat gesprek gaf de man aan asiel te willen aanvragen. De minister hief de bewaring vervolgens op 26 maart 2026 op en plaatste hem op een andere grondslag opnieuw in bewaring.
Omdat de bewaring al was opgeheven voordat de zaak inhoudelijk werd behandeld, beoordeelde de rechtbank uitsluitend of de man recht had op schadevergoeding. Die vraag beantwoordde de rechtbank ontkennend: de bewaring was op geen enkel moment onrechtmatig geweest. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Betrokken advocaten
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RBDHA:2025:16093, Rechtbank Den Haag, 26-08-2025, NL24.48495
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2025:12086, Rechtbank Den Haag, 12-06-2025, NL25.22982
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2025:12090, Rechtbank Den Haag, 05-06-2025, NL25.23472
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2025:5687, Rechtbank Den Haag, 03-04-2025, NL25.10728
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Gegevens
Datum uitspraak
31 maart 2026
Instantie
Rechtbank Den HaagRechtsgebied
Bestuursrecht; VreemdelingenrechtZaaknummer
NL26.15871
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:7291