Marokkaanse man verliest strijd om verblijf bij Nederlandse zoon — RBDHA:2026:7296
Verblijfsrecht gemeenschapsonderdaan / afgeleid verblijfsrecht Chavez-Vilchez / gezinsleven artikel 8 EVRM
Eiser / verzoeker
Marokkaanse man (V-nummer geanonimiseerd)
Verweerder / gedaagde
Minister van Asiel en Migratie
Het beroep is ongegrond verklaard; de weigering om een verblijfsdocument als bewijs van rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan af te geven blijft in stand.
- Eiser heeft onvoldoende aangetoond dat hij actuele zorg- en opvoedtaken verricht voor zijn Nederlandse zoon, nu hij niet meer samenwoont met kind en moeder.
- Eiser zag zijn zoon in diens eerste negen levensjaren slechts drie keer; de moeder is aangemerkt als primaire verzorger.
- De ADHD-diagnose van het kind maakt de afhankelijkheidsverhouding niet aannemelijk omdat eiser niet heeft geconcretiseerd wat dit voor zijn zorgrol betekent.
- De weigering van verblijf is niet in strijd met artikel 8 EVRM: gezinsband ontstond tijdens verblijfsonzekerheid en er zijn geen objectieve belemmeringen om gezinsleven in Marokko voort te zetten.
- Het nieuwe besluit van de minister voldoet aan de opdracht van de Afdeling bestuursrechtspraak, die een volledige heroverweging inclusief actuele feiten vereiste.
Samenvatting
Een Marokkaanse man die in Nederland wil blijven om bij zijn minderjarige zoon te zijn, heeft opnieuw bot gevangen bij de rechtbank. De zaak sleept al jaren en belandde eerder bij de hoogste bestuursrechter, maar ook na een nieuwe beoordeling door de minister van Asiel en Migratie is het oordeel hetzelfde: de man heeft onvoldoende aangetoond dat hij werkelijk voor zijn kind zorgt.
De man deed in november 2021 een beroep op het zogeheten Chavez-Vilchez-arrest van het Europees Hof van Justitie. Dat arrest bepaalt dat een niet-EU-onderdaan onder bepaalde omstandigheden recht heeft op verblijf in een EU-land als zijn kind anders gedwongen zou zijn de EU te verlaten. Die situatie doet zich voor als de ouder zo'n centrale rol speelt in de opvoeding dat het kind feitelijk niet zonder hem of haar kan. De man beriep zich op deze rechtspraak om een verblijfsvergunning te krijgen, omdat zijn zoon de Nederlandse nationaliteit heeft.
Na een eerdere afwijzing en een mislukte beroepsprocedure greep de Afdeling bestuursrechtspraak in 2024 in. Die rechter oordeelde dat de rechtbank onvoldoende had uitgelegd waarom de overgelegde verklaringen van derden en andere documenten niet zouden aantonen dat de man daadwerkelijk zorgde voor zijn kind. De minister moest de zaak opnieuw beoordelen.
In het nieuwe besluit bleef de uitkomst dezelfde. Een belangrijke factor is dat de man sinds juli 2023 niet meer samenwoont met zijn zoon en de moeder van het kind. Samenwoning is een belangrijk aanknopingspunt in de beoordeling: als ouder en kind samen wonen, wordt er in principe van uitgegaan dat sprake is van een afhankelijkheidsrelatie. Nu dat niet langer het geval is, moet de man die betrokkenheid zelf aantonen met concrete en actuele bewijsstukken.
Daar wringt het. De man leverde voor de huidige situatie alleen enkele foto's en een verklaring van de moeder van zijn kind in. De rechtbank oordeelt dat dit onvoldoende is om vast te stellen welke concrete zorg- en opvoedtaken hij vervult. Bovendien had de man zijn zoon in diens eerste negen levensjaren slechts drie keer gezien, terwijl het kind inmiddels dertien jaar oud is en altijd bij zijn moeder heeft gewoond. Die is dan ook aangemerkt als de primaire verzorger.
De man voerde ook aan dat zijn zoon gediagnosticeerd is met ADHD en hem daardoor meer nodig heeft. De rechtbank gaat daar niet in mee: de man heeft niet concreet gemaakt wat dit betekent voor zijn zorgrol, en er is niet aangetoond dat de ontwikkeling van het kind in gevaar komt als de man geen verblijfsrecht krijgt.
Daarnaast bekeek de rechtbank of de weigering van verblijf in strijd is met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, dat het recht op gezins- en privéleven beschermt. Ook die toets pakt negatief uit voor de man. Hij heeft meer dan dertien jaar geleden minder dan twee jaar rechtmatig in Nederland verbleven, daarna jarenlang in Marokko gewoond en sindsdien alleen verblijf gehad in afwachting van procedures. Zijn gezinsband is pas ontstaan in een periode dat hij geen geldig verblijfsrecht had. De man heeft bovendien niet aangetoond dat hij in zijn eigen levensonderhoud kan voorzien, en er zijn geen objectieve belemmeringen gebleken om het gezinsleven in Marokko voort te zetten.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond: de weigering van het verblijfsdocument blijft in stand.
Betrokken advocaten
mr. C.W.M. van Breda
verweerder
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RBDHA:2024:23020, Rechtbank Den Haag, 25-10-2024, AWB24.13435
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2024:23019, Rechtbank Den Haag, 25-10-2024, AWB24.9624
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2024:15228, Rechtbank Den Haag, 29-07-2024, NL24.18812
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2024:15230, Rechtbank Den Haag, 29-07-2024, NL24.18813
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Gegevens
Datum uitspraak
30 maart 2026
Instantie
Rechtbank Den HaagRechtsgebied
Bestuursrecht; VreemdelingenrechtZaaknummer
NL25.28670
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:7296