Syrische asielzoeker te vroeg naar rechter: beroep niet-ontvankelijk — RBDHA:2026:7321
asielrecht / niet tijdig beslissen / besluitmoratorium Syrië
Eiser / verzoeker
Syrische asielzoeker (anoniem)
Verweerder / gedaagde
Minister van Asiel en Migratie
Het beroep is kennelijk niet-ontvankelijk verklaard omdat de beslistermijn op het moment van ingebrekestelling nog niet was verstreken.
- Het besluitmoratorium voor Syriërs (14 december 2024 – 13 juni 2025) schortte de wettelijke beslistermijn op, waardoor de minister tot 15 juli 2025 de tijd had om te beslissen.
- De ingebrekestelling was ingediend vóórdat de beslistermijn verstreek, waardoor niet aan de ontvankelijkheidsvoorwaarden van artikel 6:12 Awb was voldaan.
- De rechtbank verklaarde het beroep kennelijk niet-ontvankelijk zonder inhoudelijke beoordeling van de asielaanvraag.
- Eiser viel niet onder een van de uitgezonderde categorieën van artikel 4 van het Besluit tot instelling van het besluitmoratorium.
Samenvatting
Een Syrische asielzoeker stapte in augustus 2025 naar de rechter omdat de minister van Asiel en Migratie nog geen beslissing had genomen op zijn asielaanvraag van augustus 2024. Hij vond dat de overheid te lang had gewacht en stelde de minister in gebreke. Maar de rechtbank Den Haag, zittend in Middelburg, oordeelde dat het beroep te vroeg was ingediend.
De kern van de zaak draait om een zogenoemd besluitmoratorium dat de minister in december 2024 instelde voor Syriërs. Dat moratorium liep van 14 december 2024 tot en met 13 juni 2025. Gedurende die periode was de wettelijke termijn waarbinnen de minister moest beslissen automatisch opgeschort. De klok stond als het ware stil.
Nadat het moratorium afliep op 13 juni 2025, begon de beslistermijn weer te lopen. Concreet betekende dit dat de minister tot 15 juli 2025 de tijd had om alsnog een besluit te nemen op de aanvraag. De asielzoeker had zijn ingebrekestelling echter al ingediend vóórdat die termijn verstreek — op een moment dat de minister dus nog gewoon binnen de wettelijke termijn kon handelen.
De wet schrijft voor dat je een bestuursorgaan pas in gebreke kunt stellen — en vervolgens naar de rechter kunt stappen — als de beslistermijn daadwerkelijk is overschreden én er twee weken zijn verstreken na de ingebrekestelling. Aan die eerste voorwaarde was hier niet voldaan. De rechtbank concludeerde dan ook dat er formeel nog geen sprake was van een te late beslissing op het moment dat de asielzoeker zich meldde bij de rechtbank.
De rechtbank verklaarde het beroep daarom kennelijk niet-ontvankelijk, zonder inhoudelijke beoordeling van de asielaanvraag. Een proceskostenvergoeding werd evenmin toegekend.
Betrokken advocaten
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RBDHA:2026:442, Rechtbank Den Haag, 09-01-2026, NL25.38201
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2025:25558, Rechtbank Den Haag, 30-12-2025, NL25.38345.
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2025:25537, Rechtbank Den Haag, 30-12-2025, NL25.38169.
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2025:25172, Rechtbank Den Haag, 24-12-2025, NL25.38343
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Gegevens
Datum uitspraak
30 maart 2026
Instantie
Rechtbank Den HaagRechtsgebied
Bestuursrecht; VreemdelingenrechtZaaknummer
NL25.37532
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:7321