Rechter verhoogt dwangsom na negeren eerste beslistermijn gezinshereniging — RBDHA:2026:7329
niet tijdig beslissen / dwangsom / machtiging tot voorlopig verblijf gezinshereniging
Eiser / verzoeker
Asielzoeker (V-nummer geanonimiseerd)
Verweerder / gedaagde
Minister van Asiel en Migratie
Beroep gegrond verklaard; minister moet binnen twee weken beslissen op de aanvraag, op straffe van een verhoogde dwangsom van €200 per dag met een maximum van €15.000.
- Rechtbank stelt beslistermijn van slechts twee weken vast, in afwijking van de door minister gevraagde twintig weken, omdat al eerder een ruimere termijn was gegeven die niet werd nageleefd.
- Dwangsom verhoogd van €100 naar €200 per dag omdat de eerder opgelegde dwangsom onvoldoende prikkel bleek; maximum blijft €15.000.
- Verweerders argument voor lagere dwangsom vanwege verwachte niet-naleving wordt door de rechtbank uitdrukkelijk verworpen als strijdig met het doel van de dwangsom.
- Verzoek tot vaststelling van een nieuwe bestuurlijke dwangsom afgewezen: artikel 4:17 Awb biedt daarvoor na een tweede ingebrekestelling geen grondslag.
Samenvatting
Een asielzoeker wacht al ruim anderhalf jaar op een beslissing van de minister van Asiel en Migratie over zijn aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf in het kader van gezinshereniging. Ondanks een eerdere rechterlijke uitspraak die de minister verplichtte binnen twintig weken te beslissen, is er nog steeds geen besluit genomen.
In februari 2025 verklaarde de rechtbank Den Haag een eerste beroep van de man gegrond. De minister kreeg toen de opdracht alsnog te beslissen, op straffe van een dwangsom van €100 per dag met een maximum van €15.000. Die dwangsom liep vol, maar een besluit bleef uit. In september 2025 stapte de man opnieuw naar de rechter.
De minister voerde in zijn verweer aan dat hij een beslistermijn van twintig weken redelijk vond en vroeg de rechtbank de dwangsom te beperken tot maximaal €7.500 vanwege capaciteitsproblemen bij zijn dienst. De rechtbank reageerde daarop scherp: de minister gaat er kennelijk op voorhand vanuit de uitspraak niet na te leven, en dat is precies het tegenovergestelde van wat een dwangsom beoogt — namelijk het bestuursorgaan prikkelen wél te beslissen.
De rechtbank wees ook een verzoek van de man af om opnieuw een bestuurlijke dwangsom vast te stellen. Die was al vastgesteld in de eerste uitspraak en een tweede ingebrekestelling leidt niet tot een nieuwe bestuurlijke dwangsom.
Gezien het uitblijven van enig besluit en het feit dat de eerder opgelegde dwangsom onvoldoende effect had, gaf de rechtbank de minister ditmaal slechts twee weken om te beslissen — in plaats van de gevraagde twintig weken. Bovendien werd de dwangsom verdubbeld naar €200 per dag, met eenzelfde maximum van €15.000. De minister moet daarnaast het griffierecht van €194 vergoeden en €467 aan proceskosten betalen.
Betrokken advocaten
mr. L. Brons
verweerder
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RBDHA:2026:2015, Rechtbank Den Haag, 05-02-2026, NL25.19991
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:1649, Rechtbank Den Haag, 02-02-2026, NL25.61103
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:1478, Rechtbank Den Haag, 29-01-2026, NL25.59130
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:897, Rechtbank Den Haag, 22-01-2026, NL25.50654
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Gegevens
Datum uitspraak
30 maart 2026
Instantie
Rechtbank Den HaagRechtsgebied
Bestuursrecht; VreemdelingenrechtZaaknummer
NL25.47488
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:7329