Rechter verhoogt dwangsom na jarenlange stilte over nareis-aanvraag — RBDHA:2026:7330
Niet tijdig beslissen op nareis-aanvraag (machtiging tot voorlopig verblijf) / dwangsom bestuursrecht
Eiser / verzoeker
Asielzoeker (nareisgerechtigde)
Verweerder / gedaagde
Minister van Asiel en Migratie
Beroep gegrond verklaard; minister opgedragen binnen twee weken een besluit te nemen op straffe van een dwangsom van €200 per dag met een maximum van €15.000, plus vergoeding van griffierecht (€194) en proceskosten (€467).
- Minister heeft ook na rechterlijk bevel van maart 2025 geen besluit genomen op de nareis-aanvraag, waardoor de maximale dwangsom van €15.000 volledig is verbeurd zonder effect.
- Bij een tweede beroep wegens niet tijdig beslissen is geen nieuwe ingebrekestelling vereist als de rechter al eerder een termijn heeft gesteld.
- De rechtbank verhoogt de dwangsom van €100 naar €200 per dag omdat de eerdere sanctie onvoldoende prikkel bleek.
- De beslistermijn wordt gesteld op twee weken na bekendmaking van de uitspraak, zonder ruimte voor een langere termijn vanwege de al verstreken tijd.
- Proceskosten worden vastgesteld met wegingsfactor 0,5 (licht) omdat het beroep uitsluitend ziet op het niet tijdig beslissen.
Samenvatting
Een man wacht al geruime tijd op een beslissing van de minister van Asiel en Migratie over een visumaanvraag voor zijn echtgenote en kinderen, die hij wil laten overkomen via de zogenoemde nareisprocedure. Omdat de minister maar geen besluit nam, stapte de man begin 2025 naar de rechter.
In maart 2025 gaf de rechtbank Den Haag de man al gelijk: de minister had zijn wettelijke plicht verzuimd en moest binnen acht weken alsnog een besluit nemen. Was nader onderzoek nodig, dan gold een termijn van twintig weken. Om de minister aan te sporen, legde de rechtbank een dwangsom op van honderd euro per dag, met een maximum van vijftienduizend euro.
Toch nam de minister ook daarna geen besluit. De maximale dwangsom van vijftienduizend euro liep volledig vol, maar zelfs dat bleek onvoldoende prikkel. In oktober 2025 diende de man opnieuw beroep in wegens het uitblijven van een beslissing. De minister reageerde niet op de procedure en liet ook geen verweerschrift indienen.
De rechtbank stelt vast dat de minister wederom in gebreke is gebleven en verklaart het tweede beroep dan ook gegrond. Omdat de eerdere dwangsom kennelijk geen effect heeft gehad, ziet de rechtbank reden om de financiële prikkel te verhogen. De minister wordt nu opgedragen binnen twee weken na bekendmaking van de uitspraak een besluit te nemen, op straffe van een dwangsom van tweehonderd euro per dag — het dubbele van de vorige — tot een maximum van wederom vijftienduizend euro. Daarnaast moet de minister het griffierecht van 194 euro vergoeden en 467 euro aan proceskosten betalen.
Betrokken advocaten
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RBDHA:2026:2015, Rechtbank Den Haag, 05-02-2026, NL25.19991
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:1649, Rechtbank Den Haag, 02-02-2026, NL25.61103
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:1478, Rechtbank Den Haag, 29-01-2026, NL25.59130
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:897, Rechtbank Den Haag, 22-01-2026, NL25.50654
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Gegevens
Datum uitspraak
30 maart 2026
Instantie
Rechtbank Den HaagRechtsgebied
Bestuursrecht; VreemdelingenrechtZaaknummer
NL25.50079
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:7330