Asielzoeker teruggestuurd naar Kroatië ondanks mishandeling aldaar — RBDHA:2026:7339
Dublin-overdracht / asiel / interstatelijk vertrouwensbeginsel
Eiser / verzoeker
Asielzoeker (anoniem)
Verweerder / gedaagde
Minister van Asiel en Migratie
Beroep ongegrond verklaard; de asielaanvraag blijft niet in behandeling genomen en eiser wordt teruggestuurd naar Kroatië.
- Kroatië is op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk voor de asielaanvraag en heeft het terugnameverzoek aanvaard op 28 november 2025.
- Het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Kroatië is nog altijd van toepassing, zo blijkt uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak (oktober 2024 en november 2025).
- De gestelde mishandeling van eiser in Kroatië vormt geen grond voor afwijking, nu niet is gebleken dat hij heeft geprobeerd te klagen bij Kroatische autoriteiten.
- Kroatië heeft via het claimakkoord gegarandeerd dat de asielaanvraag wordt behandeld conform Europese richtlijnen en verdragen.
Samenvatting
Een asielzoeker die in Nederland een asielaanvraag indiende, krijgt van de rechtbank Den Haag nul op het rekest. De minister van Asiel en Migratie weigerde zijn aanvraag in behandeling te nemen, omdat Kroatië op grond van Europese regels verantwoordelijk is voor de behandeling ervan. De rechtbank bevestigt die beslissing.
De zaak draait om de zogeheten Dublinverordening, een Europese regeling die bepaalt welk land verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek. Nederland deed een terugnameverzoek bij Kroatië, dat dit op 28 november 2025 accepteerde. Daarmee staat in principe vast dat Kroatië de asielaanvraag moet behandelen, niet Nederland.
De asielzoeker erkende dat Kroatië formeel verantwoordelijk is, maar vroeg de rechtbank toch een uitzondering te maken vanwege zijn persoonlijke ervaringen. Hij stelde tijdens zijn verblijf in Kroatië te zijn mishandeld, waarbij zijn neus en elleboog werden gebroken. Daardoor zou hij geen enkel vertrouwen meer hebben in een eerlijke behandeling van zijn zaak in dat land.
De rechtbank gaat hier niet in mee. Het uitgangspunt blijft dat Nederland erop mag vertrouwen dat Kroatië zijn verdragsverplichtingen nakomt — het zogenoemde interstatelijk vertrouwensbeginsel. Uit vaste jurisprudentie van de hoogste bestuursrechter, de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, blijkt dat er geen structurele problemen zijn met de Kroatische asielprocedure of opvangomstandigheden. Terugkerende asielzoekers kunnen in Kroatië toegang krijgen tot de asielprocedure.
Dat de asielzoeker naar eigen zeggen slecht is behandeld in Kroatië, maakt dat niet anders. De rechtbank oordeelt dat hij bij de Kroatische autoriteiten of daartoe bevoegde instanties had kunnen klagen over die behandeling. Dat hij dat heeft geprobeerd, of dat klagen bij voorbaat kansloos zou zijn geweest, is niet gebleken. Bovendien heeft Kroatië met het claimakkoord uitdrukkelijk gegarandeerd dat de asielaanvraag zal worden behandeld conform Europese richtlijnen en verdragen.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. De asielzoeker ontvangt geen proceskostenvergoeding en kan indien gewenst binnen zes weken verzet instellen tegen de uitspraak.
Betrokken advocaten
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RBDHA:2026:1991, Rechtbank Den Haag, 04-02-2026, NL25.36344, NL25.41034, NL25.53672 en NL25.63250
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2025:18728, Rechtbank Den Haag, 10-10-2025, NL25.35139
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2025:18727, Rechtbank Den Haag, 10-10-2025, NL25.35140
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2025:17526, Rechtbank Den Haag, 22-09-2025, NL25.9712
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Gegevens
Datum uitspraak
31 maart 2026
Instantie
Rechtbank Den HaagRechtsgebied
Bestuursrecht; VreemdelingenrechtZaaknummer
NL26.13026
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:7339