Rechter dwingt minister tot beslissen over gezinshereniging na jarenlange vertraging — RBDHA:2026:7341
asiel en migratie / niet-tijdig beslissen op aanvraag gezinshereniging (mvv)
Eiser / verzoeker
Eiseres (naam geanonimiseerd)
Verweerder / gedaagde
Minister van Asiel en Migratie
Beroep gegrond; minister opgedragen binnen acht weken te beslissen op de aanvraag om gezinshereniging, op straffe van een dwangsom van €100 per dag met een maximum van €15.000.
- Minister heeft de wettelijke beslistermijn van 90 dagen (plus drie maanden verlenging) ruimschoots overschreden zonder besluit te nemen.
- Het 'first-in first-out'-principe geeft geen grond voor ruimere beslistermijnen dan de Afdeling bestuursrechtspraak eerder heeft goedgekeurd.
- Dwangsom vastgesteld op €100 per dag met maximum van €15.000; het verweer dat een lagere dwangsom volstaat omdat de minister de uitspraak toch niet zal naleven, wordt verworpen.
- Bij gezinshereniging met asielvergunninghouders is sprake van een bijzonder geval, waardoor een langere beslistermijn dan twee weken gerechtvaardigd is.
- Minister moet binnen acht weken beslissen, of binnen twintig weken als nader onderzoek wordt ingesteld en schriftelijk aan eiseres meegedeeld.
Samenvatting
Een vrouw wacht al meer dan een jaar op een beslissing over de komst van haar familieleden naar Nederland. Ze vroeg in juni 2024 een machtiging tot voorlopig verblijf aan voor haar ouders, drie zussen en een broer, in het kader van gezinshereniging. De minister van Asiel en Migratie moest binnen negentig dagen beslissen, met een verlenging van drie maanden. Dat betekende een uiterste beslisdatum van 10 december 2024. Die deadline verstreek zonder enige beslissing.
Nadat de vrouw de minister in juli 2025 formeel in gebreke had gesteld en geen reactie volgde, stapte ze naar de rechter. De rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, behandelde de zaak zonder zitting en stelde vast dat het beroep gegrond is: de minister heeft schlicht te laat gehandeld.
De minister voerde aan dat hij werkt volgens het zogeheten 'first-in first-out'-principe, waarbij aanvragen op volgorde van binnenkomst worden behandeld. Volgens dit systeem zou de aanvraag van de vrouw pas in maart 2027 aan de beurt komen. De minister vond een beslistermijn van twintig weken redelijk en vroeg om een lage dwangsom van maximaal €7.500, omdat hij er zelf al vanuit gaat dat hij de uitspraak niet tijdig zal nakomen.
De rechtbank gaat daar niet in mee. Het first-in first-out-principe geeft geen reden om langere beslistermijnen te hanteren dan de al eerder door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State goedgekeurde termijnen, zo oordeelt de rechter. De Afdeling had dat in mei 2025 nog eens bevestigd. Aanvragen voor gezinshereniging bij houders van een asielvergunning gelden wel als een bijzonder geval, wat betekent dat de standaardtermijn van twee weken niet volstaat.
Concreet legt de rechtbank de minister op om binnen acht weken na verzending van de uitspraak een besluit te nemen. Als de minister binnen die periode besluit tot nader onderzoek en dat schriftelijk aan de vrouw meedeelt, geldt een verlengde termijn van twintig weken. Over de dwangsom is de rechtbank duidelijk: die wordt vastgesteld op €100 per dag, met een maximum van €15.000. Het argument van de minister dat hij de uitspraak sowieso niet zal naleven en daarom een lagere dwangsom rechtvaardigt, wijst de rechter uitdrukkelijk van de hand — een dwangsom is juist bedoeld om een bestuursorgaan tot handelen aan te zetten, niet om vooraf korting te verlenen op nalatigheid.
De minister moet ook het griffierecht van €194 vergoeden en de proceskosten van €467 betalen.
Betrokken advocaten
mr. M. Banwari
verweerder
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RBDHA:2026:2052, Rechtbank Den Haag, 05-02-2026, NL25.53035 en NL25.53037
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:2051, Rechtbank Den Haag, 05-02-2026, NL25.53034 en NL25.53036
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:652, Rechtbank Den Haag, 15-01-2026, NL25.37822
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:695, Rechtbank Den Haag, 15-01-2026, NL25.36084
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Gegevens
Datum uitspraak
31 maart 2026
Instantie
Rechtbank Den HaagRechtsgebied
Bestuursrecht; VreemdelingenrechtZaaknummer
NL25.51147
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:7341