Juristi.nl
ECLI:NL:RBDHA:2026:7342Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht

Rechter dwingt minister tot besluit over nareis gezinsleden asielzoeker — RBDHA:2026:7342

Niet tijdig beslissen op mvv-aanvraag nareis en gezinshereniging (vreemdelingenrecht)

Eiser / verzoeker

Asielzoeker (V-nummer geanonimiseerd)

VS

Verweerder / gedaagde

Minister van Asiel en Migratie

Beroep gegrond verklaard; minister moet binnen acht (of twintig) weken een besluit nemen op de gezinsherenigingsaanvraag, op straffe van een dwangsom van €100 per dag met een maximum van €15.000.

  • De wettelijke beslistermijn van 90 dagen plus drie maanden verlenging is verstreken zonder dat de minister een besluit heeft genomen op de nareis- en gezinsherenigingsaanvraag.
  • De rechtbank wijkt af van de standaard twee-wekentermijn en legt op grond van het bijzondere karakter van gezinsherenigingszaken een termijn van acht weken op (of twintig weken bij nader onderzoek).
  • Bij overschrijding van de opgelegde beslistermijn verbeurt de minister een dwangsom van €100 per dag, met een maximum van €15.000.
  • De minister wordt veroordeeld tot vergoeding van griffierecht (€194) en proceskosten (€467), waarbij de wegingsfactor 'licht' is toegepast omdat het beroep uitsluitend ziet op niet tijdig beslissen.

Samenvatting

Een asielzoeker in Nederland wacht al ruim een jaar op een beslissing over de komst van zijn moeder, zus en broertje. Hij diende de aanvraag in september 2024 in: voor zijn moeder een machtiging tot voorlopig verblijf in het kader van nareis, en voor zijn zus en broertje op grond van gezinshereniging via artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. De minister van Asiel en Migratie heeft de wettelijke beslistermijn — negentig dagen, verlengd met drie maanden — ruimschoots laten verstrijken zonder ook maar een besluit te nemen.

De man stelde de minister op 6 juni 2025 schriftelijk in gebreke. Toen er ook daarna niets gebeurde, stapte hij naar de rechtbank. Zijn beroep wegens het uitblijven van een besluit is door de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, zonder zitting behandeld en kennelijk gegrond verklaard: de minister heeft simpelweg te laat gehandeld.

Volgens de normale regel moet een bestuursorgaan na een gegrond beroep wegens niet tijdig beslissen binnen twee weken alsnog een besluit nemen. De rechtbank wijkt hiervan af omdat gezinsherenigingszaken structureel onder grote druk staan. In lijn met eerdere uitspraken van deze rechtbank (zittingsplaats Arnhem, 2023) en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (2024 en 2025) geldt een langere, maar wel concrete termijn: de minister krijgt acht weken de tijd om een beslissing bekend te maken. Besluit de minister binnen die termijn dat nader onderzoek nodig is en deelt hij dat schriftelijk mee aan de aanvrager, dan wordt de termijn verlengd tot twintig weken na de uitspraak.

Om te voorkomen dat de minister opnieuw talmt, legt de rechtbank een dwangsom op van honderd euro per dag dat de termijn wordt overschreden, met een maximum van vijftienduizend euro. Daarnaast moet de minister het betaalde griffierecht van 194 euro terugbetalen en wordt hij veroordeeld in de proceskosten van 467 euro.

Betrokken advocaten

mr. N. Vollebergh

eiser

Staete Advocaten | Mediators, BREDA

Betrokken rechters

Gerelateerde uitspraken

Gegevens

Datum uitspraak

31 maart 2026

Zaaknummer

NL25.53998

Procedure

Eerste aanleg - enkelvoudig

ECLI

ECLI:NL:RBDHA:2026:7342

Bekijk op rechtspraak.nl

Recente uitspraken

RBDHA:2026:8395
Rechtbank Den Haag·9 april 2026
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
RBDHA:2026:8415
Rechtbank Den Haag·9 april 2026
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
RBDHA:2026:8386
Rechtbank Den Haag·9 april 2026
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
RBDHA:2026:8440
Rechtbank Den Haag·9 april 2026
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
RBDHA:2026:8438
Rechtbank Den Haag·9 april 2026
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht