Rechter dwingt minister tot besluit over gezinshereniging asielzoeker — RBDHA:2026:7346
niet tijdig beslissen / mvv-aanvraag gezinshereniging vreemdelingenrecht
Eiser / verzoeker
Asielzoeker (anoniem)
Verweerder / gedaagde
Minister van Asiel en Migratie
Beroep wegens niet tijdig beslissen gegrond verklaard; minister moet binnen acht weken alsnog beslissen op de mvv-aanvraag, op straffe van een dwangsom van €100 per dag met een maximum van €15.000.
- Minister had uiterlijk 11 maart 2025 moeten beslissen op de mvv-aanvraag, maar heeft dat nagelaten.
- Bij gezinsherenigingsaanvragen is sprake van een bijzonder geval dat een langere beslistermijn dan de standaard twee weken rechtvaardigt.
- Rechtbank legt beslistermijn op van acht weken (of twintig weken bij nader onderzoek) na verzending van de uitspraak.
- Bij overschrijding van de termijn verbeurt de minister een dwangsom van €100 per dag met een maximum van €15.000.
- Minister moet griffierecht (€194) en proceskosten (€467) aan eiser vergoeden.
Samenvatting
Een asielzoeker die in Nederland wil herenigen met een familielid dat hier verblijft, wacht al ruim anderhalf jaar op een beslissing van de minister van Asiel en Migratie. De aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) werd ingediend in september 2024, maar de minister heeft tot op heden niets beslist — ook niet nadat hij in gebreke was gesteld.
De wet schrijft voor dat de minister binnen 90 dagen op zo'n aanvraag beslist. Die termijn mocht worden verlengd met drie maanden, wat betekende dat uiterlijk half maart 2025 een besluit had moeten vallen. Dat is niet gebeurd. In september 2025 werd de minister formeel in gebreke gesteld, en in november 2025 stapte de asielzoeker naar de rechter wegens het uitblijven van een beslissing.
De rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, stelt vast dat het beroep terecht is ingesteld en verklaart het gegrond. Normaal gesproken geeft de rechter bij een te laat besluit een termijn van twee weken om alsnog te beslissen. In dit geval wordt echter een langere termijn gehanteerd, omdat de rechtbank erkent dat bij gezinsherenigingszaken zorgvuldigheid niet zomaar mag worden opgeofferd aan snelheid. Dit standpunt sluit aan bij eerdere uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State uit 2024 en 2025, die dit kader als redelijk hebben beoordeeld.
Uit het dossier blijkt dat de minister de ontvangst van de aanvraag weliswaar heeft bevestigd, maar verder nog helemaal niet naar de zaak heeft gekeken. In dat geval legt de rechtbank een termijn op van acht weken na verzending van de uitspraak om een besluit te nemen. Als de minister binnen die termijn beslist dat nader onderzoek nodig is én dat schriftelijk aan de aanvrager meedeelt, heeft hij in totaal twintig weken de tijd.
Om te voorkomen dat de minister ook deze deadline laat passeren, koppelt de rechter er een dwangsom aan: voor elke dag dat de termijn wordt overschreden, verbeurt de minister honderd euro, met een maximum van vijftienduizend euro. Daarnaast moet de minister het betaalde griffierecht van 194 euro terugbetalen en wordt hij veroordeeld in de proceskosten van 467 euro.
Betrokken advocaten
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RBDHA:2026:2052, Rechtbank Den Haag, 05-02-2026, NL25.53035 en NL25.53037
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:2051, Rechtbank Den Haag, 05-02-2026, NL25.53034 en NL25.53036
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:695, Rechtbank Den Haag, 15-01-2026, NL25.36084
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:633, Rechtbank Den Haag, 14-01-2026, NL25.8712
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Gegevens
Datum uitspraak
31 maart 2026
Instantie
Rechtbank Den HaagRechtsgebied
Bestuursrecht; VreemdelingenrechtZaaknummer
NL25.54121
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:7346