Rechter dwingt minister tot beslissen over gezinshereniging asielzoeker — RBDHA:2026:7347
niet tijdig beslissen op mvv-aanvraag gezinshereniging / nareis asiel
Eiser / verzoeker
asielzoeker (anoniem)
Verweerder / gedaagde
minister van Asiel en Migratie
Beroep gegrond verklaard; minister moet binnen acht weken (of twintig weken bij nader onderzoek) beslissen op de mvv-aanvraag, op straffe van een dwangsom van €100 per dag met een maximum van €15.000.
- Minister overschreed de wettelijke beslistermijn van 90 dagen plus drie maanden verlenging zonder besluit te nemen op de gezinsherenigingsaanvraag.
- Het 'first-in first-out'-principe geeft geen aanleiding om af te wijken van de door de Afdeling bestuursrechtspraak vastgestelde beslistermijnen.
- Rechtbank legt termijn van acht weken op (of twintig weken bij nader onderzoek) wegens bijzondere omstandigheden bij nareiszaken.
- Dwangsom vastgesteld op €100 per dag met maximum van €15.000; verzoek minister om lagere dwangsom afgewezen omdat hij er op voorhand vanuit ging de uitspraak niet na te leven.
Samenvatting
Een asielzoeker diende op 23 december 2024 een aanvraag in voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor zijn ouders, twee zussen en drie broers, in het kader van gezinshereniging. De minister van Asiel en Migratie had wettelijk 90 dagen de tijd om te beslissen, met de mogelijkheid van een verlenging van drie maanden. Dat betekende dat uiterlijk op 23 juni 2025 een besluit had moeten vallen. Dat gebeurde niet.
De asielzoeker stelde de minister op 22 oktober 2025 schriftelijk in gebreke. Toen ook daarna geen besluit volgde, diende hij op 20 november 2025 beroep in bij de rechtbank. Omdat twee weken na de ingebrekestelling waren verstreken, was dat beroep ontvankelijk en, naar het oordeel van de rechtbank, kennelijk gegrond.
De minister verdedigde zich met een beroep op het zogeheten 'first-in first-out'-principe, dat sinds januari 2024 wordt gehanteerd om de behandeling van nareisaanvragen eerlijker en voorspelbaarder te maken. Volgens de minister zou de aanvraag van de asielzoeker naar verwachting in februari 2026 aan de beurt komen. De minister vroeg de rechtbank daarom om het beroep pas te behandelen als die termijn was verstreken, of anders een ruime beslistermijn van twintig weken op te leggen en de dwangsom te beperken tot 100 euro per dag met een maximum van 7.500 euro.
De rechtbank ging daar niet volledig in mee. Zij erkende wel dat bij gezinshereniging van houders van een asielvergunning sprake is van een bijzonder geval, wat een langere beslistermijn dan de standaard twee weken rechtvaardigt. Daarvoor verwees zij naar eerdere uitspraken van deze rechtbank en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Maar de Afdeling had in mei 2025 ook al geoordeeld dat het fifo-principe geen reden is om af te wijken van de eerder vastgestelde, redelijk geachte beslistermijnen. Aan dat kader hield de rechtbank vast.
Omdat de minister de aanvraag nog niet inhoudelijk had bekeken, legde de rechtbank een termijn van acht weken op waarbinnen alsnog een besluit bekend moet worden gemaakt. Als de minister binnen die termijn besluit dat nader onderzoek nodig is en dat schriftelijk aan de asielzoeker meedeelt, geldt een verlengde termijn van twintig weken. De dwangsom stelde de rechtbank vast op 100 euro per dag bij overschrijding, met een maximum van 15.000 euro — hoger dan de minister had gevraagd. De rechtbank merkte daarbij op dat het verzoek van de minister om een lagere dwangsom feitelijk inhield dat hij er op voorhand vanuit ging de uitspraak niet na te leven, wat haaks staat op het doel van de dwangsom.
De rechtbank veroordeelde de minister ook tot vergoeding van het griffierecht van 194 euro en de proceskosten van 467 euro.
Betrokken advocaten
mr. S. Leijtens
verweerder
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RBDHA:2026:2052, Rechtbank Den Haag, 05-02-2026, NL25.53035 en NL25.53037
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:2051, Rechtbank Den Haag, 05-02-2026, NL25.53034 en NL25.53036
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:695, Rechtbank Den Haag, 15-01-2026, NL25.36084
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:633, Rechtbank Den Haag, 14-01-2026, NL25.8712
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Gegevens
Datum uitspraak
31 maart 2026
Instantie
Rechtbank Den HaagRechtsgebied
Bestuursrecht; VreemdelingenrechtZaaknummer
NL25.57111
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:7347