Rechter dwingt minister tot beslissen op jarenlang uitgestelde asielaanvraag — RBDHA:2026:7348
asielrecht / niet tijdig beslissen op asielaanvraag
Eiser / verzoeker
Asielzoeker (anoniem)
Verweerder / gedaagde
Minister van Asiel en Migratie
Beroep gegrond verklaard; minister moet binnen twee weken beslissen op de asielaanvraag, op straffe van een dwangsom van €100 per dag met een maximum van €15.000, en moet €467 aan proceskosten vergoeden.
- De verlenging van de beslistermijn met negen maanden via WBV 2023/3 is onvoldoende gemotiveerd en mist daardoor rechtsgrond, waardoor de wettelijke termijn van zes maanden van kracht blijft.
- De maximale termijn van 21 maanden uit de Europese Procedurerichtlijn is overschreden, wat een bijzondere omstandigheid oplevert die een uiterste termijn van twee weken rechtvaardigt.
- Er wordt een rechterlijke dwangsom opgelegd van €100 per dag met een maximum van €15.000 bij overschrijding van de vastgestelde termijn.
- Proceskosten worden vastgesteld op €467, met een wegingsfactor van 0,5 omdat het een lichtgewichtzaak betreft die alleen de overschrijding van de beslistermijn betreft.
Samenvatting
Een asielzoeker heeft met succes bij de rechtbank Den Haag aangevochten dat de minister van Asiel en Migratie al veel te lang heeft gewacht met een beslissing op zijn asielaanvraag. De rechtbank oordeelde dat de overheid haar eigen wettelijke beslistermijnen heeft geschonden en gebood de minister zo snel mogelijk, en uiterlijk binnen twee weken, alsnog een besluit te nemen.
Normaal gesproken moet de IND binnen zes maanden beslissen op een asielaanvraag. De minister had geprobeerd die termijn te verlengen met negen extra maanden via een beleidsbesluit uit 2023 (WBV 2023/3), maar de rechtbank veegde die verlenging van tafel. Volgens de rechter ontbreekt een deugdelijke motivering voor die verlenging, waardoor de wettelijke termijn van zes maanden gewoon van kracht bleef. Die termijn was al lang verstreken op het moment dat de asielzoeker beroep instelde.
De asielzoeker had voorafgaand aan het beroep de IND schriftelijk in gebreke gesteld, zoals de wet voorschrijft. Toen ook daarna geen besluit volgde, stapte hij naar de rechter. De rechtbank stelde vast dat aan alle formele vereisten voor een beroep tegen niet tijdig beslissen was voldaan en verklaarde het beroep gegrond.
Bij de hoogte van de dwangsom speelde mee dat de maximale termijn van 21 maanden die de Europese Procedurerichtlijn als absoluut uiterste stelt, inmiddels ook al was overschreden. Dat is een bijzondere omstandigheid die de rechtbank aanleiding gaf om extra haast te gebieden: de minister moet niet alleen binnen twee weken beslissen, maar ook een dwangsom van €100 per dag betalen als hij die deadline mist, met een maximum van €15.000.
De rechtbank veroordeelde de minister daarnaast tot vergoeding van de proceskosten van de asielzoeker. Omdat het in dit soort zaken om een relatief eenvoudige kwestie gaat — alleen de vraag of de beslistermijn is overschreden — werd een lager tarief gehanteerd. De proceskosten werden vastgesteld op €467.
Betrokken advocaten
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RBDHA:2026:2059, Rechtbank Den Haag, 04-02-2026, NL24.46835
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:2058, Rechtbank Den Haag, 04-02-2026, NL24.46847
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:2050, Rechtbank Den Haag, 04-02-2026, NL25.47558
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:1755, Rechtbank Den Haag, 29-01-2026, NL25.35663
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Gegevens
Datum uitspraak
31 maart 2026
Instantie
Rechtbank Den HaagRechtsgebied
Bestuursrecht; VreemdelingenrechtZaaknummer
NL25.37638
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:7348